Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Bestuursrecht

Normaal maatschappelijk risico en risicoaanvaarding bij planschade

Als er schade wordt geleden als gevolg van de vaststelling van een bestemmingsplan, dan is er een mogelijkheid om planschade te verzoeken. In dat verband zullen wij in deze bijdrage de verschillen die er zijn tussen de begrippen normaal maatschappelijk risico en passieve en actieve risicoaanvaarding bespreken en verduidelijken aan de hand van de uitspraak van 13 november 2013 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In artikel 6.2, eerste lid, Wro wordt het normaal maatschappelijk risico genoemd als een grond om de schade niet te vergoeden. Het moet dan gaan om schade die ontstaan is door een normaal maatschappelijke ontwikkeling waarmee de benadeelde rekening kon houden in de zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Het tweede lid geeft verder invulling aan het normaal maatschappelijk risico aan de hand van een forfait.

We spreken van actieve risicoaanvaarding als een belanghebbende weet of behoort te weten dat een nieuw bestemmingsplan een voor hem nadelige verandering zou kunnen meebrengen en hij toch tot de verwerving van een onroerende zaak overgaat. Dat wil zeggen dat wanneer de schade voor de aanvrager voorzienbaar was en hij bewust het risico van intreden van de schade heeft genomen, de schade voor rekening van de belanghebbende gelaten mag worden (artikel 6.3, aanhef en onder a, Wro). Van passieve risicoaanvaarding is sprake indien een eigenaar (of gebruiker) van een onroerende zaak van de mogelijkheden die hij volgens een bestemmingsplan heeft, geen gebruik maakt, terwijl hij weet of kan weten dat er voornemens zijn die mogelijkheden weg te nemen of te verminderen door een bestemmingsplanherziening. Indien voor zijn stilzitten geen goede reden bestaat, kan ook in een dergelijk geval geoordeeld worden dat hij het risico op intreden van de schade genomen heeft en de schade dus redelijkerwijs voor zijn rekening gelaten mag worden (artikel 6.3, aanhef en onder b, Wro).

Bij de lijn der verwachtingen gaat het niet om de (concrete) voorzienbaarheid die aan de orde is bij risicoaanvaarding. Het gaat er juist om dat burgers en ondernemers bij hun investeringsbeslissingen ook dienen te verdisconteren dat zij kunnen worden geconfronteerd met planologische ontwikkelingen die niet zijn uitgewerkt in een concreet beleidsvoornemen en waarin dus geen concreet zicht (bestaat) op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Dat dit onderscheid in de praktijk weleens verward wordt, wordt duidelijk in de Afdelingsuitspraak van 13 november 2013.

In een tussenuitspraak is vastgesteld dat de door appellant geleden schade € 40.000,00 bedraagt en is het college opgedragen om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de planschade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Het college heeft, in navolging van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), een andere invulling gegeven aan die opdracht. Hoewel niet in geschil is dat de planologische wijziging voor appellant heeft geleid tot planschade en dat die schade € 40.000,00 bedraagt, is de SAOZ toch van een lagere planschade (€ 7.500,00 ) uitgegaan. Zij is tot dit schadebedrag gekomen door in het kader van risicoaanvaarding te beoordelen of de planschade voorzienbaar was en heeft vervolgens bezien of de niet voorzienbare schade groot € 7.500,00 tot het normaal maatschappelijk risico behoort. De SAOZ gaat eraan voorbij dat de voorzienbaarheid, zoals volgt uit artikel 6.3 van de Wro, betrekking heeft op de planologische wijziging en niet op de omvang van de schade. Als gezegd had zij bij de beoordeling of de planschade binnen het normaal maatschappelijk risico valt en krachtens artikel 6.2, eerste lid, van de Wro voor rekening van appellant dient te blijven, dienen uit te gaan van een niet in geschil zijnde planschade van € 40.000,00. Deze toetsing staat los van de vraag of de door appellant geleden schade voor zijn rekening dient te blijven wegens voorzienbaarheid van de schadeoorzaak. Die vraag wordt beantwoord aan de hand van bekend gemaakte concrete beleidsvoornemens ten tijde van de koop van het perceel door appellant. Daarop vernietigt de Afdeling het besluit en stelt de schade vast op € 40.000,-.

Deze bijdrage is mede tot stand gekomen door Melinda Gayir, student-stagiaire.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Claudia’s recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten