Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Bedrijven in moeilijkheden en faillissement

Uitkering in geld wegens niet-genoten vakantiedagen vóór faillissement: nog steeds een boedelschuld?

Indien u bij faillissement van uw werkgever een vordering op uw werkgever hebt, bijvoorbeeld uit hoofde van loon of pensioen, moet u deze vordering bij de curator indienen. De curator verdeelt vervolgens het gerealiseerde boedelactief onder de schuldeisers. Dit gaat volgens een wettelijke rangorde. Hoe zit het nu met een vordering in verband met de vergoeding van niet-genoten vakantiedagen? De Hoge Raad heeft onlangs duidelijkheid verschaft over de vraag welke rangorde een dergelijke vordering inneemt.

LISV/Wilderink q.q.

De Faillissementswet maakt een onderscheid tussen boedelschulden en preferente en concurrente faillissementsschulden. Boedelschulden hebben bij de afwikkeling van een faillissement de grootste kans op betaling, zodat het voor u als werknemer voordelig is als uw vordering als boedelschuld kwalificeert. De wet bepaalt dat het loon vanaf de dag van faillietverklaring als boedelschuld wordt aangemerkt. In het arrest LISV/Wilderink q.q. van 3 december 1999 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de uitkering in geld voor niet-genoten vakantiedagen na ontslag door de curator moet worden gelijkgesteld met het begrip ‘loon’ en om die reden ook moet worden beschouwd als boedelschuld. Daarbij maakt het niet uit of de vakantieaanspraken vóór of na de faillietverklaring zijn opgebouwd.

Koot/Tideman q.q.

Ruim een decennium later heeft de Hoge Raad in het arrest Koot/Tideman q.q. afstand genomen van het zogenaamde ‘toedoen-criterium’. Wij blogden hier destijds over. Vóór dit arrest gold dat vorderingen die door toedoen van de curator waren ontstaan, boedelvorderingen opleverden. In Koot/Tideman q.q. heeft de Hoge Raad nieuwe criteria aangelegd voor de beoordeling van de vraag welke vorderingen een boedelschuld zijn. Uit dit arrest volgt dat de Faillissementswet drie categorieën schulden als boedelschulden aanmerkt: schulden die door de wet als boedelschuld zijn aangemerkt, schulden die door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan en schulden die een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting.

Verhouding tussen beide arresten

Het arrest Koot/Tideman q.q. heeft de vraag doen rijzen of daarmee het arrest LISV/Wilderink q.q. nog wel geldt. Begin dit jaar heeft de kantonrechter te Leiden op dit punt een aantal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Samengevat ging het om de volgende vragen:

i) Levert de uitkering in geld voor niet-genoten vakantiedagen nog steeds een boedelschuld op, ook als deze vakantiedagen vóór de faillietverklaring zijn opgebouwd?
ii) Kan de curator de werknemer verplichten vakantiedagen op te nemen ter voorkoming van het ontstaan van een boedelschuld?

Beantwoording prejudiciële vragen door Hoge Raad

De Hoge Raad antwoordt op de eerste vraag dat hij in het arrest Koot/Tideman q.q. niet is teruggekomen op wat er in het arrest LISV/Wilderink q.q. is bepaald. In het arrest Koot/Tideman q.q. is een drietal categorieën schulden omschreven die een boedelschuld opleveren. De vordering die een werknemer heeft wegens niet-genoten vakantie – ook wanneer de niet-genoten vakantiedagen vóór faillissement zijn opgebouwd – moet worden beschouwd als een boedelschuld als bedoeld in de eerste categorie: schulden die door de wet als boedelschuld zijn aangemerkt, aldus de Hoge Raad. Dit lijkt mij een juiste redenering. Dat de Hoge Raad in het arrest Koot/Tideman q.q. is teruggekomen op het vroeger geldende ‘toedoencriterium’, betekent immers niet automatisch dat de categorie boedelschulden die door de wet als zodanig worden aangemerkt, zoals die wegens ‘loon’, ineens strenger zou moeten worden uitgelegd.

Op de tweede vraag antwoordt de Hoge Raad dat de curator van de gefailleerde werkgever een werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst niet kan dwingen om zijn of haar vakantiedagen op te nemen, ter voorkoming van het ontstaan van een boedelschuld. De reden daarvoor is dat ons wettelijk stelsel, waar het gaat om de vaststelling van het begin en het einde van vakantie, de wensen van de werknemer tot uitgangspunt neemt. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk wanneer sprake is van gewichtige redenen, maar daar is geen sprake van in het geval de curator in faillissement het ontstaan van een boedelschuld probeert te voorkomen.

Is uw werkgever failliet verklaard en wilt u weten wat uw rechten zijn? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Sandrine’s recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten