Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Bedrijven in moeilijkheden en faillissement

Kruislingse verrekening in faillissement

Eerder blogden wij over een in de praktijk veelgebruikt instrument om betaling van een vordering af te dwingen: verrekening. Onlangs heeft het Hof ’s-Hertogenbosch een belangrijk arrest gewezen over verrekening in geval van faillissement.

De hoofdregel voor verrekening in faillissement volgt uit artikel 53 Fw: ‘degene die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, kan zijn schuld met zijn vordering verrekenen indien beide vòòr de faillietverklaring zijn ontstaan of als deze voortvloeien uit handelingen die vòòr de faillietverklaring met de gefailleerde zijn verricht.’

In de praktijk komt het regelmatig voor dat een beroep op verrekening contractueel wordt uitgesloten. Dit verbod op verrekening wordt vaak opgenomen in de algemene voorwaarden en blijft van kracht in geval van faillissement. In het onderhavige arrest komt een contractuele verruiming van verrekening aan bod; namelijk de kruislingse verrekening. Dat betekent dat het vereiste dat de twee vorderingen tussen dezelfde twee partijen moeten bestaan, komt te vervallen. De vraag die in het arrest aan bod komt, is of deze verruiming van de verrekeningsbevoegdheid stand houdt in faillissement.

Hof ‘s-Hertogenbosch

Recycling B.V. (hierna: Recycling) en Projecten B.V. (hierna: Projecten) zijn twee zustervennootschappen. Op 28 januari 2014 zijn zij beide in staat van faillissement verklaard. In de periode voor faillissement had Recycling producten en diensten geleverd aan bedrijf X (de bedrijfsnaam wordt niet genoemd in het arrest) en in verband daarmee facturen aan bedrijf X gezonden. Bedrijf Y (ook deze naam wordt niet genoemd) heeft in de genoemde periode producten en diensten geleverd aan Projecten en in verband daarmee facturen aan Projecten gezonden. Ten tijde van faillissement had Recycling dus een vordering op bedrijf X en Projecten een schuld aan bedrijf Y.

Het geschil komt neer op de vraag of bedrijf X al dan niet haar schuld aan Recycling mocht verrekenen met de vordering van bedrijf Y op Projecten. Bedrijf X stelt zich op het standpunt dat er tussen haar, Recycling en Projecten de afspraak gold dat kruislings verrekend mocht worden. Dat zou betekenen dat de facturen van Recycling aan bedrijf X verrekend zouden mogen worden met de facturen van bedrijf Y aan Projecten (en omgekeerd). De vordering op bedrijf X is verpand aan de moedermaatschappij van Recycling en Projecten, en deze vennootschap stelt zich op het standpunt dat van een algemene verrekenafspraak geen sprake is. Verder voert de moedervennootschap aan dat, zelfs in het geval een afspraak omtrent kruislingse verrekening zou gelden, de door bedrijf X toegepaste verrekening niet toelaatbaar was in een faillissementssituatie, omdat art. 53 Fw daaraan in de weg staat. Dit artikel stelt immers als eis (onder meer) dat degene die zich op verrekening beroept zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, en aan die eis is in dit geval (dus) niet voldaan.

Naar het oordeel van het Hof is de stelling van de moedervennootschap juist. Het Hof verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad uit 1999, waarin de Ontvanger een beroep deed op artikel 24 van de Invorderingswet 1990. In artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is in beginsel de bevoegdheid gegeven tot kruislingse verrekening van (in dat geval) een belastingteruggave aan de moedermaatschappij met een belastingschuld van een dochtervennootschap. De Hoge Raad oordeelde dat na het faillissement van de moedervennootschap kruislingse verrekening niet meer mogelijk is, omdat het terzijde stellen van het in artikel 53 Fw neergelegde essentiële vereiste dat de schuldenaar tevens de schuldeiser van gefailleerde moet zijn om zich op verrekening te beroepen, ten koste zou gaan van de gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers van de gefailleerde moedermaatschappij.

Deze uitspraak van de Hoge Raad is naar het oordeel van het Hof van overeenkomstige toepassing op een contractuele bevoegdheid tot kruislingse verrekening, al zou die zijn overeengekomen. In faillissement kan dus geen beroep worden gedaan op een dergelijke contractuele verruiming, volgens het Hof. De conclusie is dat bedrijf X geen beroep op verrekening toekomt.

Wilt u meer weten over verrekening in faillissement? U weet ons te vinden.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Eveline’s recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten