Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Handels- en ondernemingsrecht

Uitleg 403-verklaring

Wij hebben bij Wieringa Advocaten voortdurend één of twee ‘student-stagiaires' in dienst: een rechtenstudent die bij ons kennismaakt met de advocatuur. Alfonso Cavalle Medina volgt op dit moment die studentstage. Ten behoeve van onze weblog schreef hij samen met Liselot Bosman onderstaande bijdrage.

In een arrest van eind vorig jaar heeft het hof Den Haag zich uitgelaten over de vraag hoe een 403-verklaring geïnterpreteerd moet worden. Voordat ik inga op het antwoord van het hof, zal ik eerst kort toelichten wat de 403-verklaring is.

Art. 2:403 BW

Rechtspersonen dienen jaarlijks een jaarrekening op te stellen overeenkomstig Titel 9 Boek 2 Burgerlijk Wetboek. Het opstellen van een jaarrekening en het publiceren daarvan is een nuttige informatiebron voor (toekomstige) schuldeisers, omdat zij op de hoogte worden gesteld van de financiële situatie van hun wederpartij. Tegelijkertijd kan het opstellen van een jaarrekening veel tijd en geld kosten. Daarom bevat de wet bepaalde uitzonderingen. Op grond van art. 2:403 lid 1 BW hoeft een rechtspersoon haar jaarrekening niet in te richten overeenkomstig Titel 9 Boek 2 Burgerlijk Wetboek indien zij aan een aantal voorwaarden voldoet. Een van deze voorwaarden is dat de financiële gegevens van de betreffende rechtspersoon, geconsolideerd worden in de jaarrekening van een rechtspersoon die onderdeel is van dezelfde groep. Deze laatste rechtspersoon zal bovendien een verklaring moeten afleggen waarin zij zich aansprakelijk verklaart ten aanzien van de schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van de rechtspersoon op wie de uitzondering van toepassing is. Dit is de zogenoemde 403-verklaring.

De betreffende zaak

Dan de relevante feiten uit het arrest van het hof Den Haag. In december 2001 heeft A de activiteiten van zijn eenmanszaak verkocht aan Safety-Bell B.V. i.o. Hillson Beheer B.V. (rechtsvoorganger van Hillson Holding) is de overeenkomst namens Safety-Bell i.o. aangegaan. Een jaar later (dus in 2002) is Safety-Bell B.V. opgericht met Hillson Holding als enig aandeelhouder en is de overeenkomst tussen A en Hillson Beheer B.V. door Safety-Bell bekrachtigd.

Op 21 november 2002 heeft Hillson Holding een “Verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid” (de 403-verklaring) bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd. Die verklaring luidt als volgt: “Hillson Holding B.V., (...) ten deze vertegenwoordigd door haar directeur de heer [bestuurder Hilson Beheer] B.V., verklaart zich met ingang van 1 januari 2002 hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor schulden voortvloeiende uit de rechtshandelingen van de groepsmaatschappij Safety-Bell B.V. te Alphen aan den Rijn.”

Omdat Safety-Bell niet de volledige koopsom aan A heeft betaald, besloot A Safety-Bell en Hillson Holding (op grond van de 403-verklaring) te dagvaarden. Hij vordert beide hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het restant van de koopprijs.

In dit geding verschillen partijen onder andere van mening over de reikwijdte van de 403-verklaring van Hillson Holding. Vallen onder deze verklaring alleen de schulden van Safety-Bell vanaf 1 januari 2002 of ook de schulden vóór 1 januari 2002? Over dit punt overweegt het hof als volgt: “Bij de uitleg moet in het oog worden gehouden dat het gaat om een niet tot een bepaalde partij gerichte, eenzijdige rechtshandeling, waaruit rechtstreekse aansprakelijkheid van de moedermaatschappij (in casu: Hillson Holding) tegenover crediteuren van een verbonden vennootschap ontstaat (HR 28 juni 2002 ECLI:NL:HR:2002:AE4663, Akzo/ING). Een dergelijke verklaring wordt uitgelegd naar objectieve maatstaven (HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661 SNS REAAL, r.o. 4.34.2). Daarbij komt het vooral aan op de uitleg van de tekst van de aansprakelijkheidsverklaring. Het wettelijk kader, en de daarin gestelde eisen aan de aansprakelijkheidsverklaring in artikel 2:403 BW, kunnen bij die uitleg ook een rol spelen.”

In casu oordeelt het hof dat de schuld onder de reikwijdte van de 403-verklaring van Hillson Holding valt, omdat de rechtshandeling waaruit de schuld voortvloeit na 1 januari 2002 is verricht. Deze rechtshandeling is niet de koopovereenkomst tussen A en Hillson Beheer B.V. namens Safety-Bell B.V. i.o., maar de latere bekrachtiging door Safety-Bell B.V. van deze koopovereenkomst in april 2002. Daarom acht het hof Hillson Holding hoofdelijk verbonden voor het restant van de koopprijs. Het hof hoefde dus niet te beantwoorden of ook schulden vóór 1 januari 2002 onder de reikwijdte van deze 403-verklaring vallen.

Deze uitspraak volgt het al bewandelde pad door de Hoge Raad in zijn arresten Akzo/ING en SNS REAAL. Een 403-verklaring is niet tot een bepaalde partij gericht maar tot de (toekomstige) schuldeisers van de rechtspersoon op wie de uitzondering van art. 2:403 BW van toepassing is. Deze schuldeisers hoeven niet betrokken te zijn bij het afleggen van de verklaring en daarom moet de rechter meer belang hechten aan de letterlijke interpretatie van de verklaring dan aan de bedoeling van degene die zich aansprakelijk stelt. Dit zorgt voor rechtszekerheid ten behoeve van schuldeisers, omdat zij zonder problemen kunnen afgaan op de tekst van de afgelegde verklaring.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Liselots recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten