Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Bestuurdersaansprakelijkheid

Geen aansprakelijkheid bestuurder op grond van collegiale verantwoordelijkheid

Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak (art. 2:9 BW). Deze verantwoordelijkheid leidt bij tekortkoming waardoor bijvoorbeeld een B.V. schade wordt toegebracht, tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder jegens die B.V. Het betreft een collegiale verantwoordelijkheid; elke bestuurder is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hij valide redenen noemt waarom hem geen verwijt treft.

De Hoge Raad gaat in zijn arrest van 30 maart 2018 in op een technische, maar belangrijke vraag over deze collegiale verantwoordelijkheid.

Wat zijn – in het kort – de feiten van deze zaak? Eisers hebben door middel van het kopen van aandelen geïnvesteerd in een vastgoedproject in het Caribisch gebied. Voor dit vastgoedproject zijn verschillende vennootschappen opgericht, waarvan TMF Management (mede)bestuurder is. Het project is vervolgens niet van de grond gekomen met als gevolg dat de gekochte aandelen van eisers waardeloos zijn geworden. Eisers vorderen daarom schadevergoeding van TMF Management en leggen aan hun vordering onder meer ten grondslag dat TMF Management in haar hoedanigheid van medebestuurder niet heeft voorkomen dat bepaalde, bij de oprichting betrokken vennootschappen, in strijd hebben gehandeld met Nederlandse voorschriften van financieel recht. Zo traden deze vennootschappen bijvoorbeeld zonder vergunning op als effectenbemiddelaar. Kortom, TMF Management heeft volgens eisers onrechtmatig gehandeld jegens derden (art. 6:162 BW).

Het gerechtshof wijst de vordering af. In cassatie klagen eisers dat het hof daarbij heeft miskend dat de collegiale verantwoordelijkheid van bestuurders (zoals bedoeld in art. 2:9 BW) òòk een rol speelt bij bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), namelijk bij de invulling van de eis van een persoonlijk ernstig verwijt. Ook bij aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad geldt dat in beginsel alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld, tot de taak van iedere bestuurder behoren, en dat iedere bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de maatstaf van HR 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen) tot uitgangspunt heeft genomen. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgelegd dat hij onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend. De stelling van eisers dat iedere bestuurder ook bij aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken, slaagt dus niet.

Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat het houden van onvoldoende toezicht op de uitoefening van een taak door een medebestuurder onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan meebrengen. Het gerechtshof heeft terecht onderzocht of hier sprake van was en is terecht tot het oordeel gekomen dat eisers geen feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit blijkt dat TMF Management heeft geweten of redelijkerwijs heeft behoren te weten dat de medebestuurders in strijd met de Nederlandse voorschriften van financieel recht hebben gehandeld. Bij de beoordeling nam het hof in aanmerking dat TMF Management gevestigd was in het Caribisch gebied en dat niet is gebleken dat zij ook andere dan – kort gezegd – administratieve werkzaamheden heeft verricht. Het hof is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat TMF Management onder die omstandigheden niet persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij niet actief erop heeft toegezien dat de betrokken vennootschappen, die aandelen aanboden en verkochten aan het publiek, de Nederlandse voorschriften van financieel recht naleefden.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Eveline’s recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten