Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Handels- en ondernemingsrecht

Mondelinge opzegging van een VOF

Onlangs heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarbij de opzegging van de vennootschap onder firma (“vof”) centraal stond. Meer specifiek gaat de Hoge Raad in dit arrest in op de vraag of een vof ook mondeling kan worden opgezegd, terwijl er in het vennootschapscontract is overeengekomen dat dit schriftelijk of per deurwaardersexploot moet gebeuren.

De achtergrond van deze zaak is als volgt. Partijen (eiser en verweerder) zijn in juli 2011 een vennootschap onder firma aangegaan om samen een onderneming te drijven in het repareren en slopen van auto’s. In het vennootschapscontract was onder meer een beëindigingsmogelijkheid voor de vennoten opgenomen. De vennootschap eindigt onder meer (i) drie maanden nadat één van de vennoten schriftelijk of bij deurwaardersexploot aan de andere vennoot te kennen geeft dat hij de vennootschap wil beëindigen, of (ii) nadat verweerder minimaal één jaar geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest. Indien de vof wordt beëindigd door opzegging binnen vijf jaar na de start van de samenwerking, is de opzeggende vennoot aan de ander een boete van € 75.000,- verschuldigd. Bij beëindiging van de vof op andere gronden is geen boete verschuldigd.

De samenwerking tussen partijen verliep al snel problematisch. Op 1 november 2011 meldt verweerder zich ziek en roept de bijstand in van een advocaat. De advocaat heeft op 9 november 2011 telefonisch contact opgenomen met eiser. Tijdens dit telefoongesprek zegt eiser dat verweerder hem zou hebben bedrogen en bestolen en dat hij met onmiddellijke ingang de samenwerking opzegt. Eiser en verweerder worden het niet eens over de verdeling van het actief van de vof. Eiser start een procedure en stelt zich op het standpunt dat de vof per 1 november 2012 is ontbonden wegens arbeidsongeschiktheid van verweerder en maakt daarbij aanspraak op betaling van € 49.744 ter finale afwikkeling van de vof. Verweerder stelt zich in een daarop volgende procedure op het standpunt dat de vof door de telefonische uitlatingen van eiser is ontbonden op 9 november 2011 en maakt daarbij aanspraak op de boete van € 75.000,-. De centrale vraag die voorligt is of de telefonische uitlating van eiser kan worden gekwalificeerd als een opzegging van de vof.

De rechtbank oordeelt in het voordeel van eiser dat de vof wegens arbeidsongeschiktheid van verweerder per 1 november 2012 is ontbonden. Het hof vernietigt dit oordeel en verklaart voor recht dat de vof per 9 november 2011, door de telefonische uitlating, is ontbonden en veroordeelt eiser tot betaling van de boete van € 75.000,-. Dat partijen in de vennootschapsakte overeengekomen zijn dat opzegging schriftelijk of door middel van een deurwaardersexploot geschiedt, staat er volgens het hof niet aan in de weg dat ook op andere, niet voorgeschreven wijze kan worden opgezegd, als die woorden maar voldoende duidelijk zijn en de wederpartij hebben bereikt.

Eiser is het niet eens met dit oordeel van het hof en gaat in cassatie. In de procedure heeft eiser de telefonische uitlatingen niet betwist, maar geeft hij wel aan dat gezien de omstandigheden dit niet als een opzegging mocht worden begrepen. Tijdens het telefoongesprek was hij emotioneel en overzag hij de consequenties niet. Hij voorzag in het bijzonder niet dat hij een boete van € 75.000,- zou moeten betalen voor het opzeggen van de vof binnen vijf jaar. Bovendien heeft de advocaat van verweerder zich tijdens een andere procedure op het standpunt gesteld dat de vof niet was beëindigd. Tevens is er na het bewuste telefoongesprek contact geweest met medewerkers van eiser waarin gesproken is over voortzetting van de samenwerking.

De Hoge Raad is van oordeel dat het hof de bovenstaande omstandigheden niet voldoende heeft meegewogen in zijn oordeel, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Of de telefonische uitlatingen van eiser kunnen worden gekwalificeerd als een opzegging, moet worden beoordeeld aan de hand van de uitleg op grond van de wilsvertrouwensleer (art. 3:33 en 3:35 BW), met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Nu eiser ontkent dat hij met zijn telefonische uitlatingen de vof wilde opzeggen, komt het aan op de vraag of verweerder met succes een beroep kan doen op de wilsvertrouwensleer, met andere woorden of hij de verklaring redelijkerwijze mocht opvatten als een opzegging van de vof.

De Hoge Raad voegt hieraan toe dat de bepaling omtrent de opzegging in het vennootschapscontract ook een omstandigheid is die van belang kan zijn bij de beoordeling van de vraag of verweerder de telefonische uitlating mocht opvatten als een opzegging van de vof. Aan een dergelijk vormvoorschrift kan niet zomaar worden voorbijgegaan, nu partijen zo’n voorschrift juist opnemen ter voorkoming van geschillen over de vraag of een mondelinge opzegging voldoende is.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Het hof zal zich moeten buigen over de vraag of de telefonische uitlating van de eiser, met inachtneming van de genoemde omstandigheden, door de verweerder mocht worden opgevat als een opzegging van de vof.

Wilt u een vof aangaan of beëindigen? Wij geven u graag advies.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Eveline’s recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten