Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Administrative Law

Afzien van horen in bezwaar: kan dat zomaar?

De hoorplicht vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Deze plicht volgt uit artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Kort gezegd komt deze plicht erop neer dat bij behandeling van een bezwaar, de belanghebbende door het bestuursorgaan in de gelegenheid moet worden gesteld om te worden gehoord.

Uitzonderingen op de hoorplicht

Er zijn echter gevallen waarbij van het horen kan worden afgezien door het bestuursorgaan, deze uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 7:3 Awb. Zo kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk (dus evident) niet-ontvankelijk is, het bezwaar kennelijk ongegrond is of wanneer volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Ook kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord (artikel 7:3 onder c Awb). Over deze laatstgenoemde uitzondering schreven wij eerder een blog. Hieruit volgde kort gezegd dat van deze uitzondering slechts sprake is als een belanghebbende uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht gehoord te worden.

Daarnaast kan van het horen worden afgezien als de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord (artikel 7:3 onder d Awb). Over deze uitzondering is onlangs een interessante uitspraak gedaan door de Centrale Raad van Beroep (CRvB), een van de hoogste bestuursrechtelijke colleges (ECLI:NL:CRVB:2022:1019).

Artikel 7:3 onder d Awb

In deze zaak was door het bestuursorgaan bij de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift aan de belanghebbende een termijn van twee weken geboden om kenbaar te maken of deze gebruik wilde maken van zijn recht om te worden gehoord. De belanghebbende had in reactie hierop niet te kennen gegeven te willen worden gehoord. Het bestuursorgaan stelde zich daarom op het standpunt dat gelet op artikel 7:3 onder d Awb van het horen kon worden afgezien. De belanghebbende deed een beroep op een oude uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2006:AX3772). Hieruit volgde kort gezegd dat het bestuursorgaan in zulke gevallen niet kon volstaan met het verzenden van een ontvangstbevestiging (met daarin een termijn om te laten weten of gebruik wordt gemaakt van het recht om te worden gehoord). De CRvB oordeelde in onderhavige zaak dat deze oude uitspraak hem niet kon baten, omdat deze voor de inwerkingtreding van artikel 7:3 onder d Awb is gedaan (en deze uitzonderingsgrond dus nog niet opgenomen was in de wet). Hierom mocht het bestuursorgaan in dit geval afzien van het horen van de belanghebbende.

Uit bovengenoemde uitspraak volgt dus dat het cruciaal is om tijdig aan het bestuursorgaan door te geven dat van het recht om gehoord te worden, gebruik wordt gemaakt. Dat kan zoals bovengenoemd in reactie op een ontvangstbevestiging, maar ook al in het bezwaarschrift.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Anna’s recent blogs

 

what are you looking for?

pages with at least one of the search terms
pages with all search terms
pages with the exact text

in the entire website
only in the blog
in the website except the blog

Wieringa Advocaten