DNB publiceert rapport: “wij zien crypto niet als geld”

De kans is vrij groot dat u ze zelf bezit: crypto’s. Ongeveer twee miljoen Nederlanders beleggen er tegenwoordig namelijk in. In 2018 waren dat er nog ‘slechts’ 900.000. Mocht u ze bezitten dan is het u waarschijnlijk ook niet ontgaan dat Bitcoin en andere cryptovaluta in de afgelopen twee weken zeker 20% van hun waarde verloren. Die abrupte waardedaling was het gevolg van paniek onder beleggers vanwege liquiditeitsproblemen bij cryptobeurs FTX en de voorgenomen overname door Binance – die na boekenonderzoek ineens toch niet doorging.

Afgelopen week bleek bovendien dat zeker één miljard dollar aan cryptotegoeden zou zijn verdwenen bij FTX. Gisteren werd na een roerige week uiteindelijk het faillissement van FTX aangevraagd. De kans dat klanten nog wat van hun tegoeden terugzien is niet groot. Uit deze ontwikkelingen van de afgelopen weken blijkt wel dat cryptomarkten nog steeds zeer volatiel zijn en dat wet- en regelgeving voor onder meer het toezicht op cryptomarkten en cryptodienstverleners noodzakelijk is.

Meer problemen op de cryptomarkt

De problemen bij FTX staan niet op zichzelf. Begin mei van dit jaar maakten de cryptokoersen ook al een duikvlucht. De paniek werd die keer veroorzaakt door de implosie van terraUSD, een zogenoemde “stablecoin”. En medio juni van dit jaar gingen de cryptokoersen ook hard onderuit. Tegoeden van klanten bij cryptobank Celsius Network werden bevroren vanwege liquiditeitsproblemen, met een bankrun tot gevolg. Zo bezien brengen crypto’s door hun volatiele karakter voor beleggers nog steeds grote risico’s met zich mee.

Rapport DNB over cryptovaluta

DNB publiceerde vorige week (toevallig) een rapport over de ontwikkeling van crypto in de afgelopen jaren en gaat uitgebreid op deze problematiek in. De DNB evalueert daarin de ontwikkeling van cryptovaluta en analyseert hoe het beleid daarop dient te worden afgestemd. De belangrijkste conclusie van DNB is dat ongedekte crypto’s door hun volatiele karakter niet geschikt zijn om de functies van betaalmiddel, oppotmiddel en rekeneenheid goed te kunnen vervullen. Het ontbreken van onderliggende activa en een monetaire autoriteit die de waarde stabiliseert zou zorgen voor grote onzekerheid over de waarde. De belangrijkste conclusie van DNB luidt daarom: crypto’s kunnen niet worden beschouwd als geld.

Grote verschillen cryptogebruik

Uit onderzoek van DNB blijkt dat slechts 3% van de cryptobezitters aangeeft dat ze in 2022 wel eens iets met cryptovaluta hebben gekocht. Tegelijkertijd geeft 63% van de cryptobezitters aan dat investeren in cryptomunten hetzelfde is als gokken. Uit het onderzoek blijkt wel een groot verschil te bestaan in cryptogebruik tussen ontwikkelde en opkomende economieën. Vooral in ontwikkelde economieën zouden crypto’s voornamelijk worden gebruikt om te speculeren en te gokken.

Crypto: hype of toekomst?

Is DNB uitsluitend negatief over Crypto? Nee, DNB ziet ook kansen. De achterliggende technologie van sommige crypto maakt mondiale overboekingen binnen enkele seconden mogelijk, en potentieel met een laag energieverbruik. Een wallet-eigenaar kan zonder de hulp van een intermediair anoniem betalingen verzenden en ontvangen. Crypto’s zijn bovendien moeilijk in beslag te nemen door corrupte overheden. Daarnaast zijn de infrastructuren van crypto niet afhankelijk van centrale servers, maar zijn ze 24 uur per dag beschikbaar door het decentrale karakter.

DNB signaleert ook kansen voor wat betreft de ‘tokenisatie’ van financiële activa. Traditionele financiële activa worden daarbij omgezet in tokens op de Blockchain. Die tokens fungeren vervolgens als eigendomsbewijs. Via de Blockchain kunnen deze tokens eenvoudig en snel worden overgedragen, en daarmee dus ook de financiële activa zoals eigendoms- en gebruiksrechten die zij representeren. Dat kunnen allerlei activa zijn zoals bijvoorbeeld effecten en vastgoed. Financiële instellingen zijn voor de overdracht dan niet langer nodig.

Ongedekte crypto’s: hoge prijsvolatiliteit

De DNB noemt als grootste probleem van ongedekte cryptoactiva de hoge prijsvolatiliteit. De achterliggende algoritmes van veel cryptoactiva bepalen allereerst dat er een vaste geldhoeveelheid is. Daarmee wordt een kunstmatige schaarste gecreëerd. Dat zorgt ervoor dat er geen monetair beleid kan worden gevoerd waardoor niet kan worden gereageerd op economische omstandigheden. Wat de prijsvolatiliteit nog meer zou versterken is de omstandigheid dat veel cryptobeleggers hun speculatieve beleggingen langer vasthouden. Doordat veel cryptoactiva daarom langer uit omloop worden genomen bestaat er een kleiner aanbod van crypto’s . Dat resulteert erin dat een verandering in de vraag de prijs sterker beïnvloedt.

Ongedekte crypto’s: ongedekte effecten

DNB signaleert verder dat ongedekte crypto’s in feite vaak fungeren als ongedekte effecten. Door middel van ICO’s – te vergelijken met traditionele IPO’s – wordt kapitaal vergaard door moderne blockchainbedrijven. Anders dan bij traditionele effecten heeft de houder van een uitgegeven token vaak geen eigendoms-, bestuurs- of winstrechten in de onderneming. Bovendien is vaak sprake van een geringe rechtsbescherming en een gebrek aan zeggenschap. Volgens DNB zou slechts 3% van de ICO’s onder de traditionele effecten-wetgeving vallen.

De waarde van ongedekte cryptoactiva die fungeren als effecten wordt bepaald op basis van vraag en aanbod. Ongedekte cryptoactiva hebben in tegenstelling tot traditionele effecten geen onderliggende activa of rechten. Hun prijs is vaak afhankelijk van de kans dat met de aangeboden Blockchaindiensten een netwerk van gebruikers wordt opgebouwd. De houders van ongedekte cryptoactiva hebben niet de rechten van aandeelhouders of crediteuren. Bovendien zijn er geen activa die kunnen worden aangesproken in geval van vertrouwensverlies. Deze omstandigheden leiden er volgens DNB toe dat de waarde van ongedekte cryptoactiva als effecten onzeker en volatiel is. Als speculatieve belegging brengen cryptoactiva volgens DNB daarom aanzienlijke risico’s met zich mee voor de bescherming van consumenten en beleggers. Bij verdere groei zouden de cryptomarkten zelfs een bedreiging kunnen vormen voor de mondiale financiële stabiliteit.

Stablecoins

DNB is een stuk enthousiaster over stablecoins. In tegenstelling tot ongedekte cryptoactiva hebben stablecoins namelijk wel een onderliggende waarde die zorgt voor een stabilisatie van de prijs. Hoewel de prijs van stablecoins daardoor stabieler is dan die van ongedekte crypto’s, dragen zij op hun beurt weer een ander risico met zich mee. Juist door hun directere link met het bredere financiële systeem, zijn de gevolgen wanneer het misgaat juist groter. Bij gebrek aan vertrouwen kan er een run op stablecoins ontstaan die grote gevolgen heeft voor het monetaire stelsel als geheel.

Een potentieel risico is dat uitgevende entiteiten van stablecoins bijvoorbeeld geneigd zouden kunnen zijn om het rendement op hun activa te verhogen zodra hun stablecoins gebruikt en vertrouwd worden. Ze zouden kunnen overstappen op risicovollere activa of zelfs leningen, de dekking kunnen verlagen of de inwisselbaarheid geheel kunnen beperken. Wanneer het publiek erachter komt dat de activadekking ontoereikend is dan zou er een bank run kunnen ontstaan. Het grootschalige ongereguleerde gebruik van stablecoins brengt daardoor risico’s met zich mee voor het functioneren van financiële-marktinfrastructuren.

Behoefte aan regulering

Er is nog steeds weinig wetgeving (afgezien van antiwitwaswetgeving) van toepassing op cryptomarkten en cryptoactiva. Door de nog steeds toenemende omvang en impact van cryptomarkten is er echter grote behoefte aan regulering. Volgens DNB zouden cryptoactiva moeten zijn onderworpen aan soortgelijke regelgeving zodra zij soortgelijke functies bieden en soortgelijke risico’s opleveren als traditionele financiële activa. DNB verwelkomt daarom de nieuwe Verordening betreffende markten in cryptoactiva (MiCA). Die verordening biedt namelijk uniforme regels voor cryptomarkten binnen de Europese Unie. Voor uitgevers van stablecoins en voor iedereen die cryptodiensten aanbiedt, gaat onder meer een vergunningsplicht gelden. Naar verwachting zal de nieuwe verordening in 2024 van kracht worden.

Wieringa Advocaten

Wilt u meer weten over deze nieuwe verordening? Wij schreven eerder een blog over de nieuwe MiCA-verordening. Bij vragen over deze blog, de nieuwe MiCA-verordening of crypto in het algemeen kunt u natuurlijk ook altijd contact met ons opnemen. We hebben verstand van de achterliggende techniek en staan verschillende grotere en kleinere cryptodienstverleners en blockchainondernemingen bij met juridisch advies.

Lidl moet stoppen met verkoop chocoladepaashazen

Wellicht heeft u het afgelopen week opgepikt in het nieuws: Lidl moet stoppen met de verkoop van chocoladepaashazen omdat die inbreuk maken op de chocoladepaashazen van Lindt, zo bepaalde een Zwitserse rechter vorige week. En nee, Lidl gebruikte niet de naam Lindt op haar paashazen. De paashaas van Lindt zélf betreft een merk. En Lidl maakt met haar paashazen inbreuk op dat merk. Nu hoor ik u denken, een chocoladepaashaas een merk? Dat zit als volgt…

Vormmerken

Bij merken zult u al snel denken aan een naam of een logo. Een merk kan echter uit van alles bestaan. De Europese Uniemerkenverordening bepaalt in artikel 4 expliciet dat een merk kan worden gevormd door alle tekens, waaronder namen van personen, tekeningen, letters, cijfers, kleuren, vormen van waren of verpakkingen of zelfs geluiden. Zo kan dus ook een reclamejingle worden vastgelegd als merk, en – ja wel – ook de vorm van een chocoladepaashaas.

Beperkingen

Voor merken geldt als algemene regel echter wel dat zij het publiek in staat moeten stellen om waren of diensten van andere waren of diensten te onderscheiden. Kortom, zij moeten voldoende “onderscheidend vermogen” bezitten. Daarnaast geldt als beperking op vormmerken dat zij niet uitsluitend mogen bestaan uit een vorm die onlosmakelijk is verbonden met de aard van de daaronder aangeboden “waar”. Dat houdt anders gezegd in dat een merk niet uitsluitend mag bestaan uit een vorm die inherent is aan hetgeen waarvoor het wordt ingeschreven. Men zal dus niet de vorm van een banaan als merk in kunnen schrijven voor de verkoop van bananen. Dat zou het vrije handelsverkeer immers nodeloos beperken.

Inburgering

Maar dat is toch precies het geval bij de paashazen die Lidl verkocht? Ja, dat is inderdaad precies het geval bij de paashazen van Lidl. Het merkenrecht kent echter nóg een uitzondering. Merken die in beginsel niet zijn geoorloofd – zoals vormmerken die uitsluitend bestaan uit de aard van de waar – kunnen alsnóg worden inschreven als de aanvrager daarvan weet aan te tonen dat het merk is “ingeburgerd” bij het publiek. Als de aanvrager door middel van bijvoorbeeld marktonderzoek kan bewijzen dat een merk door het publiek in voldoende mate wordt geassocieerd met daaronder verkochte waren of diensten dan wordt het alsnog ingeschreven. En dat is precies waarin Lindt is geslaagd. Uit door haar aangedragen marktonderzoek is gebleken dat het publiek de (gouden) chocoladepaashazen van Lindt ook daadwerkelijk associeert met Lindt.

Lidl zal haar voorraad paashazen dus niet meer van de hand kunnen doen. Wellicht kan zij de chocoladepaashazen nog omsmelten tot andere dieren…

Tuin en Gras, Gras en Tuin Quba: geen verwarringsgevaar?

In de prejudiciële beslissing inzake Dairy Partners oordeelde de Hoge Raad vorig jaar kort gezegd dat verwarringsgevaar zich niet snel voordoet in het geval van twee beschrijvende handelsnamen. Volgens de Hoge Raad brengt het publiek een geheel beschrijvende handelsnaam namelijk niet in verband met de onderneming die daarvan de bescherming inroept. Daarnaast speelt volgens de Hoge Raad mee dat het publiek tegenwoordig gewend is aan het gebruik van beschrijvende handelsnamen. Het publiek is zich er volgens de Hoge Raad dus van bewust dat mogelijk meerdere partijen zich van eenzelfde beschrijvende handelsnaam bedienen.

Sinds deze beslissing van de Hoge Raad wringen lagere rechters zich soms in alle bochten om het vaak tóch aanwezige verwarringsgevaar bij beschrijvende handelsnamen “weg te redeneren”. Er worden sinds het arrest van de Hoge Raad inmiddels veel uitspraken gewezen waarin de “Dairy Partners”-leer wordt toegepast. Zo zag ik afgelopen week weer een zaak van de voorzieningenrechter in Oost-Brabant op 12 augustus 2022 voorbij komen. In deze zaak was sprake van een onderneming genaamd “Tuin en Gras”, die zich toelegt op – jawel – het aanleggen van tuinen en de verkoop van gras, tegenover een andere onderneming genaamd “Gras en Tuin Quba”; behoorlijk beschrijvend dus. Tuin en Gras vordert van Gras en Tuin Quba dat zij het gebruik van haar handelsnaam staakt en dat zij haar domeinnaam overdraagt.

De voorzieningenrechter stelt onder verwijzing naar Dairy Partners dat verwarringsgevaar niet snel wordt aangenomen in het geval van beschrijvende handelsnamen en wijst de vorderingen van Tuin en Gras op die grond dan ook af. Dat lijkt mij op zichzelf geen verkeerde beslissing, maar het “wegredeneren” van het verwarringsgevaar in dergelijke zaken blijft toch wat ongemakkelijk. Ik vraag mij namelijk af of het publiek inderdaad niet in staat is om een volledig beschrijvende handelsnaam in verband te brengen met een onderneming.

Een beschrijvende handelsnaam burgert niet van de één op de andere dag in. Het opbouwen van onderscheidend vermogen van een beschrijvende handelsnaam door inburgering is een geleidelijk proces dat aanvangt vanaf het moment dat die naam in het handelsverkeer wordt gevoerd. Verwarring kan volgens mij ook al ontstaan wanneer slechts enkele personen die bekend zijn met een oudere beschrijvende handelsnaam – voor wie die naam dus wel degelijk een onderscheidende functie uitoefent – op een later moment worden geconfronteerd met een overeenstemmende jongere handelsnaam. Ik wil best geloven dat het publiek tegenwoordig gewend is geraakt aan het gebruik van beschrijvende handelsnamen, en dat het daardoor minder snel in verwarring raakt, maar ik kan moeilijk aannemen dat dit het ontstaan van verwarring volledig uitsluit. De vraag is volgens mij niet óf er gevaar voor verwarring bestaat, maar of deze verwarring bescherming op grond van de Handelsnaamwet rechtvaardigt.

Het is in mijn optiek gerechtvaardigd dat we aan beschrijvende handelsnamen minder of geen bescherming verlenen, maar de wijze waarop we het verwarringsgevaar voor het gemak volledig wegdenken doet volgens mij geen recht aan de werkelijkheid. Ook beschrijvende handelsnamen kunnen dienst doen als onderscheidingsteken en ook beschrijvende handelsnamen kunnen verwarring scheppen. Volgens mij dient de vraag te zijn of een beschrijvende handelsnaam dusdanig is ingeburgerd dat wij het gerechtvaardigd vinden om daaraan – ondanks zijn beschrijvende karakter – bescherming te verlenen. Daarvoor zal een redelijk arbitraire grens moeten worden getrokken. Totdat de inburgeringsgrens is bereikt, zal een onderneming de door haarzelf in de hand gewerkte verwarring – door het kiezen van een niet intrinsiek onderscheidende handelsnaam – wat mij betreft moeten dulden. Een toets van onderscheidend vermogen die dus niet vooraf plaatsvindt (zoals in het merkenrecht) maar die achteraf door de rechter in een inbreukprocedure wordt toegepast. Het zou de wetgever – juíst na Dairy Partners – sieren als hij die toets alsnog incorporeert in artikel 5 Handelsnaamwet.

Dat de voorzieningenrechter de vorderingen van Tuin en Gras (of was het nou Gras en Tuin?…) afwijst is wat mij betreft een goede beslissing. Dat in de jongere handelsnaam ook nog het (onderscheidende) bestanddeel “Quba” voorkwam lijkt bij die beslissing ook in belangrijke mate mee te hebben gewogen. Niet onterecht, want kleine verschillen (bijvoorbeeld door toevoeging van kleine wél onderscheidende elementen) tussen zuiver beschrijvende handelsnamen zullen de kans op verwarring inderdaad vaak kunnen verminderen. Verwarring lijkt me echter ook in dat geval niet geheel uit te sluiten. Het wegredeneren van het resterende verwarringsgevaar met de Dairy Partners-beslissing in de hand, leidt dan tot het gewenste resultaat, maar de schoonheidsprijs verdient het wat mij betreft niet.

Let op: Label-C verplichting voor kantoren bijna in werking

Al in 2018 blogden wij dat kantoren per 1 januari 2023 een energielabel C of beter moeten hebben (artikel 5.11 Bouwbesluit 2012). Die datum komt steeds dichterbij en onlangs kopte de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland dat de helft van de kantoren nog niet klaar is voor de aanstaande verplichting. Na 1 januari 2023 kunnen gemeenten deze verplichting handhaven. Tot op dit moment is er echter geen duidelijkheid over op welke partij het bevoegd gezag zich bij de handhaving zal richten: de huurder of de verhuurder of beiden. Een goede aanleiding om het kader nogmaals op een rij te zetten.

Handhaving op de label-C verplichting

Artikel 5:1 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (ABW) bepaalt dat het bevoegd gezag kan handhaven bij een ‘overtreding’ door een ‘overtreder’.

De overtreding zou in dit geval zijn het in gebruik nemen van een kantoorpand zonder energielabel C of beter. De vervolgvraag is wie moet worden aangemerkt als ‘overtreder’ conform artikel 5:1 lid 2 Awb. Volgens dit artikel kan alleen degene die een strafbaar feit heeft begaan of mede heeft gepleegd, als overtreder worden aangemerkt. Nadat is vastgesteld wie de overtreder is, rijst de vraag of de overtreder het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen, want alleen dan kan de gemeente een dwangsom of bestuurlijke handhaving opleggen (ECLI:NL:RVS:2018 :2804 , ECLI:NL:RVS:2004:AQ1326).

Naar onze mening zal het bevoegd gezag in het algemeen zowel de huurder als de verhuurder aan kunnen schrijven. Ten aanzien van de huurder omdat de verplichting een gebruiksverbod met zich meebrengt. Een huurder mag een gebouw na 1 januari 2023 niet gebruiken als het niet over het vereiste Energielabel beschikt. Daarnaast zullen er vrijwel altijd energiebesparende maatregelen zijn die ook de huurder kan nemen, zoals het gebruik van led-verlichting. Maar de verhuurder gebruikt het gebouw door deze te verhuren en kan in onze ogen derhalve ook worden aangeschreven. Ook zal het vaker op de weg liggen van de verhuurder om de bouwkundige energiebesparende maatregelen te treffen, zoals gevelisolatie.

Medewerking van de huurder t.a.v. energiebesparende maatregelen

Voldoet de verhuurder niet aan de label C-verplichting, dan mag het kantoorpand per 1 januari 2023 niet meer in gebruik worden genomen. Dit zou als een gebrek in de huurovereenkomst (art. 7:204 BW) kunnen worden gekwalificeerd (hier is uiteraard nog geen jurisprudentie over). Hetgeen kan betekenen dat de verhuurder verplicht is het gebrek te verhelpen (art. 7:206 BW), de huur te verlagen (art. 7:207 BW) en de door de huurder geleden schade te vergoeden (art. 7:208 BW).

De ‘Label C-verplichting’ vereist de medewerking van de huurder. Allereerst omdat het voor sommige maatregelen, zoals het vervangen van de verlichting, aan de huurder is om dit uit te voeren. Als er bouwkundige maatregelen moeten worden genomen, is ook de medewerking van huurders vereist. Op grond van artikel 7:220 lid 1 BW dient huurder de verhuurder in de gelegenheid te stellen dringende werkzaamheden aan het gehuurde uit te voeren. Dit zijn activiteiten die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Een andere mogelijkheid om een ​​huurder te dwingen mee te werken aan de werkzaamheden is renovatie op grond van artikel 7:220 lid 2 BW. Om deze laatste grond te laten slagen, moet de verhuurder een redelijk voorstel doen. Het is dus gunstiger voor de verhuurder om de werkzaamheden onder lid 1 te laten vallen. Dan hoeft de verhuurder geen redelijk voorstel te doen, de huurder is in ieder geval verplicht om mee te werken.

Het is verdedigbaar dat de werkzaamheden worden aangemerkt als dringende werkzaamheden, omdat het kantoor anders niet meer volgens de wet kan worden gebruikt en zowel huurder als verhuurder het risico op handhaving lopen.

Conclusie

De label-C verplichting voor kantoren komt steeds dichterbij, naar verwachting zullen veel kantoren nog niet op 1 januari 2023 aan de verplichtingen voldoen. Hetgeen betekent dat de bevoegde gezagen zullen moeten handhaven. Het juridische kader is hierboven beschreven, maar de praktijk zal uitwijzen hoe de handhaving zal worden uitgevoerd. Los van de (bestuursrechtelijke) handhaving, zullen wellicht ook civiele kwesties opspelen in de verhouding tussen de huurder en verhuurder.

Heeft u vragen over het bovenstaande, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met één van onze advocaten.

Rechtbank Amsterdam: géén vertragingsboetes voor opdrachtgever die ten onrechte geen tijdschema opstelt en/of wijzigingen in planning doorvoert

Recentelijk heeft de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen (ECLI:NL:RBAMS:2022:3712) in een omvangrijke bouwzaak tussen twee grote bouw partijen; Unibail Rodamco (hierna: URW) en Ballast Nedam (hierna: Ballast). Onderwerp van geschil was de bouw van het voormalige winkelcentrum Leidschendam, inmiddels omgedoopt tot “Mall of the Netherlands”.

Meerdere ‘hoofdaannemers’

In 2016 is URW begonnen met de vernieuwing en uitbreiding van het winkelcentrum tot 117.000 m2. URW werd daarbij bijgestaan door een Projectbureau. Het plan was dat URW voor de verschillende delen van het project – zoals sloop, asbestsanering, grondwerk, elektriciteit, vloerafwerking, meubilair – met afzonderlijke aannemers en leveranciers contracten zou afsluiten. Het Projectbureau was belast met de coördinatie daarvan en het opstellen en bijhouden van het Algemeen Tijdschema (ATS).

Op zich dus al een interessante aanpak van Opdrachtgever, nu het gebruikelijker is om een aannemingsovereenkomst te sluiten met één hoofdaannemer, die op haar beurt onderaannemers in de arm neemt en – voor haar rekening en risico – coördineert.

Packages

De bouw van het casco van het winkelcentrum was opgedeeld in zogenaamde Packages. Package 3 zag op de ruwbouw voor het bouwgedeelte Noord, Package 4 op de ruwbouw voor het bouwgedeelte Zuid en de Packages 5, 6 en 7 op respectievelijk de glazen en vaste gevels (5), de zogenoemde voile van lichtgewicht beton om het gebouw heen (6) en de ingangen met onder meer draaideuren (7). Het op 2 maart 2017 tussen URW en Ballast gesloten contract zag – kort samengevat – op Packages 3 tot en met 7, tegen een aanneemsom van € 115 miljoen exclusief btw.

Het geschil

Zoals het relatief omvangrijke vonnis al doet vermoeden hebben de advocaten over en weer niet stilgezeten, aan vorderingen geen gebrek. Eén van de interessante discussies richt zich op de door URW gevorderde kortingen op de aanneemsom vanwege vertragingen ten opzichte van de initieel met Ballast overeengekomen planning.

Bouwer Ballast meent in dit kader aanspraak te maken op (de door Opdrachtgever ingehouden) € 1.3 miljoen omdat door Opdrachtgever ten onrechte geen ATS is opgesteld, terwijl Ballast bovendien geen enkele termijnverlenging is gegund terwijl er wel veel bestekwijzigingen met meerwerk zijn opgedragen en er ook sprake is van buiten haar schuld ontstane vertragingen, onder meer veroorzaakt door andere aannemers, aldus Ballast. Ballast meent dan ook dat URW haar niet aan de contractueel overeengekomen opleverdata kan houden omdat die zijn gebaseerd op een ongehinderde uitvoering van het oorspronkelijke bestek en daarvan geen sprake is geweest.

URW daarentegen bekijkt het andersom, meent dat Ballast zich gewoon had moeten houden aan de in de aannemingsovereenkomst opgenomen oplevertermijnen en vindt dan ook dat Ballast forse vertragingsschade aan haar moet voldoen (zijnde de € 1.3 miljoen die zij alvast heeft ingehouden).

Beoordeling rechtbank

In rechtsoverweging 4.14 van het vonnis oordeelt de rechtbank dat URW met haar vordering miskent dat er tussen de in de aannemingsovereenkomst vastgestelde termijnen en het ATS volgens artikel 9 van dat contract een verband bestaat: indien het ATS vanwege een wijziging in de opdracht of een vertraging die niet aan de aannemer is toe te rekenen, moet worden aangepast met een termijnverlenging, heeft dit ook gevolgen voor de overeengekomen opleverdata. Ook die dienen dan op te schuiven, aldus de rechtbank.

Het ligt volgens de rechtbank verder op de weg van de opdrachtgever die zijn opdrachtnemer aan de bedongen opleverdata wenst te houden, om erop toe te zien dat het daarvoor overeengekomen systeem ook zijn beslag krijgt. Dat is hier verzaakt, URW heeft het kennelijk laten gebeuren dat het door haar ingeschakelde Projectbureau geen ATS opstelde, waardoor er feitelijk dus geen sprake is geweest van een tijdplanning. Voor de contractueel voorziene werking van de vóór aanvang van de bouw opgestelde tijdplanning, was immers wezenlijk dat naarmate de bouw vorderde, steeds werd bijgehouden of de planning nog reëel was. Bij die stand van zaken kan URW haar contractuele wederpartij niet zonder meer houden aan de in het contract vastgelegde data, aldus de rechtbank.

Volgens URW ligt de fout dus niet bij Ballast, maar is er juist sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van URW, waardoor URW geen aanspraak op nakoming kan maken. Daarbij moge het volgens de rechtbank zo zijn dat misschien niet iedere bestekwijziging tot een verlenging van de termijnen zou hebben geleid; het is echter ook niet aannemelijk dat geen enkele bestekwijziging – vast staat wel dat er een aanzienlijk aantal is geweest – tot een aanpassing van de termijnen zou hebben geleid. Hetzelfde geldt voor vertragingen die door anderen zijn veroorzaakt en niet voor rekening van Ballast komen: uit de stukken blijkt volgens de rechtbank genoegzaam dat er herhaalde malen sprake is geweest van haperingen die niet aan Ballast zijn toe te schrijven. Ook daarvan kan volgens de rechtbank niet worden aangenomen dat die nooit tot enige aanpassing van het tijdschema hadden kunnen leiden, aldus de rechtbank.

Oordeel

De rechtbank stelt URW dan ook in het ongelijk. Naar het oordeel van de rechtbank kan een opdrachtgever die, in een geval als het onderhavige waarin sprake is van een werk dat aan meer aannemers is opgedragen en dat binnen een bepaalde periode moet worden gerealiseerd, nalaat een tijdschema op te stellen waarin meerwerk en niet toe te rekenen vertragingen worden verdisconteerd terwijl het contract daar wel in voorziet, wegens schuldeisersverzuim zijn aannemers niet houden aan de in het contract overeengekomen opleverdata omdat het contract er nu eenmaal van uitgaat dat die kunnen opschuiven als gevolg van aanpassingen in het tijdschema. In dat geval verspeelt de opdrachtgever zijn recht om kortingen op te eisen, aldus de rechtbank.

Conclusie

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de door URW in ingestelde vordering in verband met kortingen faalt en dat de door Ballast gevorderde betaling van door URW doorgevoerde kortingen van bijna 1,3 miljoen euro, vermeerderd met rente is toegewezen.

Heeft u vragen over bovenstaand artikel of wenst u uw situatie aan ons voor te leggen? Bel vrijblijvend 020 6246811 of mail: Mulder@wieringa.nl.

Weigering omgevingsvergunning op grond van parkeerbeleid onevenredig

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 20 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2063) is geoordeeld dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat er geen bijzondere omstandigheden waren die ertoe hebben geleid dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels uit het ontwikkelingskader onevenredig was in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen.

Niet voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht had een omgevingsvergunning voor het vergroten van een bedrijfsruimte en het vestigen van een zalencentrum geweigerd. Het plan was in strijd met het bestemmingsplan en het college wilde geen gebruik maken van de bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken, omdat niet werd voldaan aan de beleidsregels voor het parkeren. Er werd namelijk niet voldaan aan de eis van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.


De aanvrager van de omgevingsvergunning was het hier niet mee eens en heeft nadat het bezwaarschrift ongegrond was verklaard beroep ingesteld. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit gebrekkig was omdat het college volgens de rechtbank had nagelaten een gedegen belangenafweging te maken. De rechtbank had het college de mogelijkheid gegeven dit gebrek te herstellen waarna het college een aanvullende motivering heeft gegeven.

College: nadelige effecten op de leefbaarheid

Deze motivering luidde dat vergunningverlening in de eerste plaats zou leiden tot nadelige effecten op de leefbaarheid in de omgeving. Daarnaast zijn de gevolgen van geluidsoverlast voor andere gebruikers van het bedrijventerrein groter als niet op eigen terrein wordt geparkeerd. Verder is volgens het college verspreid parkeren over het gehele bedrijventerrein onwenselijk, omdat dat de nadelige effecten op de leefbaarheid en de gevolgen van geluidsoverlast nog verder vergroot. Daarbij heeft het college aangegeven dat op het bedrijventerrein verschillende bedrijven zijn gevestigd die open zijn in het weekend en dat het college wil voorkomen dat dan hinder wordt ondervonden. De door aanvrager overgelegde parkeerbalans zou te weinig garantie bieden dat die hinder wordt voorkomen en dat het karakter van het bedrijventerrein behouden blijft, aldus het college.

Raad van State: parkeerbalans en handtekeningenlijst doorslaggevend

Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat nadelige effecten op de leefbaarheid, vanwege de ligging op een bedrijventerrein en het ontbreken van woningen in de omgeving, niet aan de orde zijn en dat de weigering verband houdt met de aspecten parkeren en geluid op het bedrijventerrein. De Afdeling overweegt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het op grond van die aspecten over parkeren en geluid de omgevingsvergunning heeft geweigerd. Daarvoor is van belang dat de door de aanvrager overgelegde parkeerbalans, waarin staat dat er 119 parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de directe buurt, betekent dat niet verspreid over het bedrijventerrein hoeft te worden geparkeerd. Er is dus geen (geluids)overlast voor omliggende bedrijven. Hierbij betrekt de Afdeling ook dat de aanvrager met zijn lijst met handtekeningen aannemelijk heeft gemaakt dat omliggende bedrijven positief tegenover het vestigen van een zalencentrum staan.


Onderbouw aanvraag omgevingsvergunning goed

Het college dient een besluit goed dient te motiveren en komt niet zomaar weg met verwijzing naar beleid. In dit geval heeft het evenredigheidsbeginsel ertoe geleid dat het college volgens de Afdeling wel degelijk diende af te wijken van de beleidsregels voor parkeren. Een door de aanvrager overlegde parkeerbalans en een handtekeningenlijst hebben onder meer tot dat oordeel geleid. Een goed onderbouwde aanvraag kan dus tot positieve resultaten leiden.

Eerste Kamer geeft voorlopig groen licht voor Omgevingswet

Vandaag heeft de Eerste Kamer gestemd over de motie-Rietkerk c.s. over het startsein van de Omgevingswet. Deze motie is door de Eerste Kamer aangenomen.

De motie houdt in dat de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2023 het uitgangspunt is en blijft, zodat de bevoegd gezagen hun voorbereidingen daarop kunnen inrichten en de uitvoering geen vertraging oploopt.

Dit betekent echter niet dat er onder de Kamerleden geen twijfels meer bestaan over de voorbereidingen voor de invoering. De werking van het DSO blijft mankementen vertonen. Om die reden spreekt de motie ook uit dat het wenselijk is dat het adviescollege ICT in oktober 2022 een geactualiseerd advies uitbrengt met het oog op de inwerkingtreding per 1 januari 2023. Als uit dit onderzoek blijkt dat de problemen met het DSO tegen die tijd nog niet zijn opgelost, kan de inwerkingtredingsdatum alsnog worden verdaagd.

Ook zal de regering in oktober de voortgangsinformatie vanuit het interbestuurlijke programma over performance, stabiliteit, integrale ketentesten en tijdelijke alternatieve maatregelen aan te leveren met als doel de Eerste Kamer kennis te laten nemen van de uitslagen van de testen en de verbeteringen van de keten die daarmee zijn georganiseerd met het oog op inwerkingtreding per 1 januari 2023.

De motie betekent dus dat de Omgevingswet voor nu op 1 januari 2023 wordt ingevoerd, mits het DSO in oktober naar behoren werkt. Of de motie nu voor meer duidelijkheid heeft gezorgd, is de vraag…

Afdeling oordeelt in hoger beroep over Warmteplan ‘Sluisbuurt’ Amsterdam

Onlangs verscheen een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in het hoger beroep tegen de spraakmakende uitspraak van de rechtbank Amsterdam over het warmteplan Sluisbuurt (waar wij eerder over blogden). In die uitspraak had de rechtbank geoordeeld dat een warmteplan geen invulling kan geven aan de gelijkwaardigheidstoets uit het Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aansluitplicht. Een belangrijke uitspraak voor de praktijk.

Warmteplan

Een warmteplan is een besluit van de gemeenteraad over de aanleg van een warmtenet in een bepaald gebied, voor een periode van maximaal 10 jaar, of als het aantal geplande aansluitingen is gehaald. In het warmteplan wordt de mate van energiezuinigheid en de bescherming van het milieu opgenomen. Als dit plan wordt vastgesteld, dan bestaat er op grond van artikel 6.10 lid 3 Bouwbesluit 2012 een aansluitplicht. Daardoor heeft de gemeente de mogelijkheid om een aansluiting op dit warmtenet af te dwingen. Dit is het geval als een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden op een aansluitafstand is gelegen die niet groter is dan 40 meter of bij een afstand die groter is dan 40 meter, maar waarvan de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter.

Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling uit artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 is het mogelijk om ook als er een aansluitplicht geldt een alternatieve gelijkwaardige oplossing aan te bieden. Daardoor moet een omgevingsvergunning ook verleend worden als niet op het warmtenet wordt aangesloten, maar een alternatief wordt bedacht dat ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als een aansluiting het warmtenet.

Uitspraak rechtbank Amsterdam: concretiserend besluit van algemene strekking

Over dit laatste onderdeel heeft de rechtbank Amsterdam een uitspraak gedaan. In het warmteplan Sluisbuurt had de gemeente Amsterdam een invulling gegeven aan de gelijkwaardigheidstoets. De rechtbank oordeelt dat dit niet mogelijk is. Energiezuinigheid heeft in artikel 1.3 (gelijkwaardigheidsbepaling) dezelfde betekenis als in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit 2012, en omvat niet alleen de warmtevraag en warmtebron maar ook de elektriciteitsvraag en elektriciteitsproductie van een gebouw. Het Bouwbesluit 2012 geeft de gemeenteraad volgens de rechtbank dan ook geen grondslag om hiervan af te wijken. Een warmteplan is feitelijk van aard en kan dan ook geen invulling geven aan het begrip gelijkwaardigheid. De rechtbank vernietigt daarom ook dit onderdeel (hoofdstuk 4) van het warmteplan.

Verder oordeelt de rechtbank dat het warmteplan een besluit is in de zin van de Awb. Dit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Een warmteplan is een publiekrechtelijke rechtshandeling, waarvan het rechtsgevolg is dat een aansluitplicht ontstaat. Het warmteplan moet dan ook worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Hierdoor staat de bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsprocedure open tegen het warmteplan.

Uitspraak Afdeling

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht tot de conclusie komt dat de eerste drie hoofdstukken van het warmteplan inderdaad een concretiserend besluit van algemene strekking is. Deze hoofdstukken bevatten een inleiding, een beschrijving van het warmtenet en de aansluiting daarop en de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van het warmtenet.

Ten aanzien van het vierde hoofdstuk, waar de procedure juist over ging, oordeelt de Afdeling anders. Volgens de Afdeling heeft de raad beoogd handvatten voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid te geven. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen is het aan het bevoegde gezag om een oordeel over die gelijkwaardigheid te geven.

Zoals hiervoor al is weergegeven, bevat hoofdstuk 4 van het warmteplan handvatten voor de invulling van de gelijkwaardigheidseis, de bepalingsmethode en een voorbeeld voor een gelijkwaardige warmtevoorziening. Met die beoordelingsmethode zou volgens de raad de vergelijking moeten worden gemaakt en aan de hand daarvan zou ook moeten worden beoordeeld of een aangedragen alternatief gelijkwaardig is.

In het Bouwbesluit 2012 is volgens de Afdeling niets opgenomen over de eisen en de bepalingsmethode voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van een alternatieve voorziening. Omdat het Bouwbesluit 2012 hiervoor geen grondslag bevat en het hier niet gaat om de uit artikel 1.1 eerste lid van het Bouwbesluit 2012 voortvloeiende elementen heeft de gemeenteraad niet de bevoegdheid om bindend vast te leggen hoe de gelijkwaardigheidsbeoordeling moet worden ingevuld.

Daarom zijn de uitgangspunten van hoofdstuk 4 niet op rechtsgevolg gericht en delen zij niet in het rechtskarakter van de overige op het Bouwbesluit 2012 gebaseerde onderdelen van het warmteplan. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De stichting wordt derhalve alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Consequenties voor de praktijk

Dit oordeel van de Afdeling heeft belangrijke gevolgen voor de rechtsbescherming tegen warmteplannen. Daarbij moet dus in het vervolg een onderscheid gemaakt worden de verschillende soorten bepalingen in het warmteplan.

Met betrekking tot de aansluitplicht en de mate van energiezuinigheid en bescherming van milieu (en soortgelijke onderdelen), in het onderhavige geval hoofdstuk 1, 2 en 3 van het warmteplan, oordeelt de afdeling dat er sprake is van een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat hiertegen alleen de bestuursrechtelijke rechtsbescherming (bezwaar, beroep en hoger beroep) open staat. Het is belangrijk om hier alert op te zijn, omdat het besluit anders formele rechtskracht krijgt.

Ten aanzien van welke alternatieven als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (in dit geval hoofdstuk 4) geldt een ander kader. Is een belanghebbende het niet eens met de in het warmteplan opgenomen alternatieven voor aansluiting op het warmtenet, dan staat daar geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen open. De enige oplossing is dan om te de beslissing van het bevoegd gezag op de aanvraag tot omgevingsvergunning af te wachten en daar dan tegen in bezwaar en eventueel (hoger) beroep te gaan.

Heeft u vragen over het bovenstaande of een andere vraag over de warmtetransitie neem dan vrijblijvend contact op via +31(0)20 6246811 of beekman@wieringa.nl.

Verhuurder vestigt concurrent in winkelcentrum; tekortkoming, gebrek of onvoorziene omstandigheid?

Het succes van een winkelcentrum is mede afhankelijk van de diversiteit van het winkelaanbod en de aangeboden voorzieningen. Het is daarom niet ongebruikelijk dat huurders van winkelcentra brancheringsclausules overeenkomen op grond waarvan de verhuurder verplicht is zorg te dragen voor een goede brancheverdeling en diversiteit van het aanbod. Dit betekent echter niet per definitie dat een verhuurder geen concurrenten van bestaande huurders in een winkelcentrum mag huisvesten. Indien hierover geen expliciete afspraken zijn gemaakt, is het huisvesten van een concurrent namelijk niet op voorhand aan te merken als een gebrek of onvoorziene omstandigheid, zo blijkt uit een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Het is dus belangrijk om hierover bij aanvang van de huur te onderhandelen, goede afspraken te maken en deze op schrift te stellen.

Grond voor ontbinding?

In de procedure voor de rechtbank Rotterdam vordert de huurder allereerst een verklaring voor recht dat zij de huurovereenkomst op 1 november 2021 rechtsgeldig heeft ontbonden, omdat verhuurder zonder overleg een directe concurrent in het winkelcentrum heeft gevestigd.

De kantonrechter stelt echter vast dat een rechtsgrond voor een dergelijke overlegverplichting ontbreekt. In de huurovereenkomst is geen bepaling is opgenomen dat de verhuurder gehouden was tot overleg met huurder over het vestigen van nieuwe huurders, aldus de kantonrechter. Evenmin is in de huurovereenkomst een exclusiviteitsclausule of non-concurrentiebeding opgenomen. Dit betekent dat op dit punt geen sprake is of was van een tekortkoming aan de zijde van verhuurder en dat huurder de huurovereenkomst op grond hiervan niet buitengerechtelijk heeft mogen ontbinden, aldus de kantonrechter. Dit met gevolg dat de huurpenningen over de periode waarin huurder meende dat de huur was opgezegd, nog gewoon voor betaling in aanmerking komen.

Gebrek aan gehuurde?

Subsidiair stelt de huurder dat sprake is van een gebrek als bedoeld in artikel 7:204, tweede lid, BW doordat de verhuurder een concurrent in het winkelcentrum heeft gevestigd. Bij de beoordeling hiervan dient de rechter onder meer aandacht te schenken aan de wijze waarop en de mate waarin de verhuurder zijn huurder concurrentie aandoet en de belangen die voor beide partijen betrokken zijn bij deze vorm van concurrentie, mede in verband met de eventueel contractueel voorgeschreven bestemming van het gehuurde (Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2768), aldus de kantonrechter.

De kantonrechter overweegt dat ook in dit kader allereerst van belang is dat in de huurovereenkomst geen exclusiviteitsclausule of non-concurrentiebeding is opgenomen. Verhuurder heeft er, integendeel, volgens de kantonrechter terecht op gewezen dat in artikel 9.1 van de huurovereenkomst – in het kader van de verplichting de overeengekomen bestemming van het gehuurde nauwgezet in acht te nemen (in dit geval, blijkens artikel 1.3 van de huurovereenkomst: “een drogisterij, conform de DA-formule”) – expliciet is opgenomen dat gehuurde deel uitmaakt van een winkelcentrum “dat een belangrijk deel van zijn kracht moet ontlenen aan het feit dat er verschillende branches op verschillende niveaus werkzaam zijn.” Huurder heeft er daarom niet op mogen vertrouwen dat hij altijd de enige drogisterij in het winkelcentrum zou zijn en had daarover desgewenst bij het aangaan van de huurovereenkomst andere of aanvullende of meer precieze afspraken kunnen maken, aldus de kantonrechter. Bovendien heeft verhuurder volgens de kantonrechter pas een andere drogisterij in het winkelcentrum gevestigd na de opzegging door huurder zelf. Alles afwegend komt de kantonrechter daarom tot het oordeel dat door de vestiging van een andere drogisterij in het winkelcentrum geen sprake is van een gebrek. Ook de subsidiaire gevorderde verklaring voor recht van huurder wordt daarom worden afgewezen.

Onvoorziene omstandigheid?

Tot slot stelt eiser dat de vestiging van een concurrent in het winkelcentrum een onvoorziene omstandigheid is, op grond waarvan ongewijzigde instandhouding van de huurprijs naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Uit het hiervoor al aangehaalde artikel 9.1. van de huurovereenkomst volgt volgens de kantonrechter echter juist dat de huurder rekening moest houden met de omstandigheid dat er verschillende branches op verschillende niveaus werkzaam konden zijn. In de huurovereenkomst was al in de mogelijkheid voorzien dat een concurrent zich in het winkelcentrum zou vestigen, zodat in zoverre van een onvoorziene omstandigheid geen sprake is. De stelling van huurder dat de beide drogisterijen niet op verschillende niveau’s werkzaam zijn en verhuurder daarom in strijd met voornoemde bepaling uit de huurovereenkomst zou handelen, acht de kantonrechter niet bewezen.

Concluderend

Deze uitspraak bevestigt eens te meer dat een huurder van een winkelcentrum niet zondermeer mag verwachten dat een verhuurder geen huurovereenkomsten sluit met concurrenten. Het is en blijft zaak om hierover bij aanvang van de huur te onderhandelen, goede afspraken te maken en deze op schrift te stellen.

Uw situatie aan ons voorleggen?

Burgemeester moet afwijzing horecavergunning uitgebreider motiveren

Een horecavergunning kan worden geweigerd op grond van ‘slecht levensgedrag’. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 25 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1493) geoordeeld dat de burgemeester in zo’n geval een vergaande plicht heeft om te motiveren waarom hij vindt dat sprake is van slecht levensgedrag.

Horecavergunning restaurant Kaatsheuvel

In de zaak die centraal stond in bovenvermelde uitspraak ging het om een aanvraag voor een horecavergunning voor een restaurant in Kaatsheuvel. De burgemeester heeft de aanvraag afgewezen, omdat de ondernemer niet zou voldoen aan de eis dat hij als leidinggevende ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is’. Dit heeft de burgemeester gebaseerd op diverse boetes en taakstraffen die de ondernemer in het verleden opgelegd heeft gekregen en op een aantal meldingen over hem in het politiesysteem.

De ondernemer komt tegen de afwijzing op door te stellen dat zijn gedrag uit het verleden niet mag leiden tot weigering van de horecavergunning.


Motiveringsplicht voor de burgemeester

De Afdeling oordeelt dat de burgemeester een vergaande plicht heeft om te motiveren waarom de burgemeester tot het standpunt is gekomen dat de exploitant op grond van de feiten die hem worden tegengeworpen van slecht levensgedrag is. Indien de voorwaarde dat een exploitant niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn niet nader is gespecificeerd in een wettelijke regeling, beleidsregels of een ander beleidsstuk en de burgemeester een exploitant zijn levensgedrag in een concreet geval wil tegenwerpen, moet de motivering van de burgemeester in ieder geval aan de volgende eisen voldoen:

  • De burgemeester moet motiveren dat er een verband is tussen het gedrag in het verleden van de exploitant en de bedrijfsvoering, in dit geval het exploiteren van een restaurant;
  • De burgemeester moet motiveren dat de ondernemer vooraf had kunnen weten dat hij niet voldoet aan de voorwaarden dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
  • De burgemeester moet motiveren waarom de gedragingen niet gering zijn en waarom het tijdsverloop niet te groot is.

Ook geeft de Afdeling aan dat de voorwaarde dat een exploitant niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn niet verder mag gaan dan nodig is om ervoor te zorgen dat horecabedrijven worden geëxploiteerd op een manier die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat.

Conclusie van de Afdeling

In bovenvermelde zaak oordeelt de Afdeling dat de burgemeester van de gemeente Kaatsheuvel niet had voldaan aan de uitgebreide motiveringsplicht. De motivering van het besluit om de horecavergunning van de exploitant te weigeren geeft naar het oordeel van de Afdeling geen inzicht in de afweging van de burgemeester. De burgemeester zal opnieuw moeten beslissen en indien de burgemeester weer besluit tot afwijzing van de horecavergunning, het besluit beter moeten motiveren.

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Schrijf u in voor onze nieuwsbrief