UBO-register vanaf nu niet meer openbaar

Op 22 november 2022 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: het ”Hof”) een ingrijpende uitspraak gepubliceerd over het UBO-register. Het Hof komt daarin tot het oordeel dat de bepaling in de Europese anti-witwasrichtlijn, die regelt dat lidstaten moeten zorgen dat iedereen toegang moet krijgen tot UBO-informatie, onvoldoende onderbouwd is en daarmee ongeldig is.

Eerder schreven wij al over de invoering van het UBO-register en in welke gevallen uiteindelijke belanghebbenden (UBO’s) wel of niet onder de registratieplicht vallen.

In deze blog zullen wij nader ingaan op de werking van het UBO-register, de uitspraak van het Europees Hof en welke gevolgen deze uitspraak voor vennootschappen en hun uiteindelijke belanghebbenden heeft.

Wat is het UBO-register en wanneer moeten uiteindelijke belanghebbenden worden geregistreerd?

In het UBO-register staat wie de eigenaar is van een organisatie, een belang heeft of zeggenschap bezit. Het register heeft tot doel om criminele activiteiten te voorkomen. Ook moet het register helpen bij het opsporen van onder andere fraude, witwassen en terrorismefinanciering. Het UBO-register is vanaf 27 september 2020 operationeel, als onderdeel van het handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

Vanaf de inwerkingtreding moeten Nederlandse vennootschappen gegevens over uiteindelijke belanghebbenden (de “Ultimate Beneficial Owners”, kortweg UBO’s) verzamelen en registreren. Naast de B.V.’s en niet-beursgenoteerde N.V.’s geldt de verplichting ook voor een aantal andere rechtsvormen. Denk daarbij aan de stichting en de personenvennootschap. Onder laatstgenoemde categorie vallen de maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap. Eenmanszaken zijn – logischerwijs – van de verplichting uitgesloten. Partijen die meldplichtig zijn maar dat niet hebben gedaan, zijn sinds 27 maart van dit jaar in overtreding.

Voor B.V.’s en N.V.’s is een UBO de natuurlijke persoon die direct of indirect voor meer dan 25% economisch gerechtigd is tot de vennootschap, dan wel zeggenschap daarover uitoefent. Beursgenoteerde vennootschappen zijn uitgezonderd van de 25%-regel. Voor stichtingen en verenigingen is een UBO de natuurlijke persoon die direct of indirect een eigendomsbelang heeft van meer dan 25%, meer dan 25% van de stemmen kan uitoefenen bij een statutenwijziging of de feitelijke zeggenschap bezit. Voor de maatschap, V.O.F. en C.V. is een UBO de natuurlijke persoon die direct of indirect een eigendomsbelang van meer dan 25% bezit of meer dan 25% van de stemmen kan uitoefenen bij beheersdaden en/of wijziging van de samenwerkingsovereenkomst. Als op grond van de hiervoor genoemde drempels geen UBO kan worden aangewezen, moet de zogenaamde “pseudo-UBO” worden geregistreerd. Naar Nederlands recht kwalificeert het bestuur als zodanig.

Tot de uitspraak van het Hof was het UBO-register voor het algemene publiek toegankelijk. Bij de Kamer van Koophandel kon iedereen voor 2,50 euro per aanvraag aan de informatie komen.

Uitspraak Europees Hof van Justitie

In de vierde Europese anti-witwasrichtlijn is bepaald dat alle lidstaten van de Europese Unie ervoor moeten zorgen dat de informatie over de UBO’s van binnen hun land opgerichte vennootschappen en bepaalde andere juridische entiteiten in alle gevallen voor het grote publiek toegankelijk is.

Daarop hebben alle lidstaten de voorbije jaren de richtlijn geïmplementeerd door nationale wetgeving, zo ook Luxemburg. Een Luxemburgse vennootschap en haar uiteindelijk belanghebbende gingen gezamenlijk in beroep tegen een besluit van het Luxemburgse handelsregister, dat had geweigerd om de toegang van het grote publiek tot de informatie over de uiteindelijke belanghebbende te beperken. De Luxemburgse bestuursrechter besloot daarop het Hof een reeks prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van bepalingen in de anti-witwasrichtlijn en over de geldigheid daarvan in het licht van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het “Handvest”).

Het Europees Hof komt in zijn arrest tot het oordeel dat in het licht van het Handvest de bovengenoemde bepaling van de anti-witwasrichtlijn ongeldig is. Het Hof overweegt dat toegang van het grote publiek tot de UBO-informatie een ernstige inmenging vormt in de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en bescherming van persoonsgegevens, die zijn neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest. De bekendgemaakte informatie maakt het immers voor een potentieel onbeperkt aantal personen mogelijk inzicht te verkrijgen in de materiële en financiële situatie van de UBO. Het risico op misbruik wordt verder vergroot doordat deze informatie niet alleen vrijelijk kan worden geraadpleegd, maar ook kan worden opgeslagen en verspreid. Het Hof constateert dat dat de Uniewetgever een doelstelling van algemeen belang nastreeft door te proberen door middel van grotere transparantie het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te voorkomen. Een dergelijke doelstelling kan een ernstige inmenging in de genoemde grondrechten rechtvaardigen.

Het Hof komt echter tot de conclusie dat de uit deze maatregel resulterende inmenging niet beperkt is tot wat strikt noodzakelijk is en daarbij ook niet evenredig is met het nagestreefde doel. Het Hof acht onvoldoende onderbouwd hoe de huidige regeling meer bijdraagt aan het nagestreefde doel dan de oude, minder invasieve regeling. Op grond van die regeling werd toegang tot de UBO-informatie aan de bevoegde autoriteiten, bepaalde entiteiten en elke persoon of organisatie die een legitiem belang kon aantonen. Dat de huidige regeling ruimte bood om in uitzonderlijke gevallen informatie af te schermen, zoals de Luxemburgse vennootschap en UBO initieel hadden verzocht, doet wat het Hof betreft aan het voorgaande niet af.

Gevolgen uitspraak voor uw vennootschap

Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof heeft de minister van Financiën Sigrid Kaag aan de Kamer van Koophandel gevraagd voorlopig aan niemand meer informatie uit het UBO-register meer te verstrekken. De Kamer van Koophandel geeft per direct uitvoering aan het verzoek van de minister.

De minister treedt op korte termijn in overleg met de Europese Commissie om te bezien welke informatieverstrekkingen wel mogelijk zijn. De minister werkt aan een permanente regeling. Gegeven de uitspraak van het Hof ligt het in de lijn der verwachting dat alleen nog personen of organisaties met een legitiem belang toegang krijgen tot het UBO-register, conform de oude anti-witwasregelgeving. Te denken valt aan banken en verzekeraars. Op grond van de Europese regelgeving zijn zij verplicht om vast te stellen wie de uiteindelijke belanghebbenden van hun klanten zijn. Ook overheidsinstanties, notarissen, advocaten en journalisten zullen in beginsel onder omstandigheden in aanmerking kunnen komen voor toegang tot het register.

De uitspraak van het Hof is overigens niet van invloed op de plicht voor juridische entiteiten om hun UBO’s te registreren. Deze plicht blijft dan ook van kracht.

Door de uitspraak van het Hof zijn uiteindelijke belanghebbenden van uw vennootschap of andere meldplichtige entiteit ervan verzekerd dat niet langer iedereen informatie over hen kan opvragen bij de Kamer van Koophandel. Voorlopig is de privacy van uiteindelijke belanghebbenden zelfs volledig gewaarborgd. Zodra de minister binnenkort een permanente regeling vaststelt, zal meer duidelijk worden over wie wanneer wordt aangemerkt als gelegitimeerd belanghebbende op de UBO-informatie. Naar verwachting zal daarbij wel een grijs gebied blijven bestaan, dat aanleiding geeft tot juridische procedures. Zo kan bijvoorbeeld de vraag zich voordoen of het opvragen van UBO-informatie voor een perspublicatie een legitiem belang dient als de publicatie niet op criminele activiteiten ziet, mede in het licht van de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en bescherming van persoonsgegevens.

Wij berichten u wanneer de minister de kaders van de permanente regeling vaststelt. Als u voor die tijd vragen heeft over de werking van het UBO-register voor u en uw vennootschap, neem dan gerust contact met ons op. Wij zijn u graag van dienst.

Benoeming van een tijdelijk bestuurder: in kort geding of door de Ondernemingskamer?

Deze blog gaat over een procedure waarin een incidentele vordering is ingesteld tot benoeming van een tijdelijke bestuurder. Als een partij een tijdelijke bestuurder wil laten benoemen, is de enquêteprocedure een veelgebruikt middel. Maar, dat resultaat kan ook worden bereikt in kort geding of in een bodemprocedure bij de rechtbank.

De enquêteprocedure en de benoeming van een tijdelijke bestuurder

De wetgever heeft ooit bedacht dat de enquêteprocedure draait om het onderzoek (de enquête). Als uit het onderzoek blijkt dat sprake is van wanbeleid, kan de Ondernemingskamer verschillende eindvoorzieningen treffen. Voorbeelden van eindvoorzieningen zijn de schorsing of het ontslag van een bestuurder en de tijdelijke benoeming van een bestuurder. Voor een uitgebreidere toelichting op wanbeleid en eindvoorzieningen verwijzen we naar een eerdere blog.

De enquêteprocedure is zo doeltreffend omdat de Ondernemingskamer in iedere stand van het geding onmiddellijke voorzieningen kan treffen. De OK kan dat zelfs doen voordat een onderzoek is gelast. Daarvoor is nodig dat sprake is van “gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken” van de rechtspersoon waarom het gaat.

Rechtbanken en de benoeming van een tijdelijke bestuurder

Er kunnen verschillende redenen zijn waarom partijen geen enquêteprocedure kunnen of willen beginnen. Als zij toch willen proberen een tijdelijke bestuurder te laten benoemen, kunnen ze besluiten een procedure aanhangig te maken bij de rechtbank.

Het vonnis

In een recente procedure die aanhangig was bij de Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2022:2904) zijn er twee partijen die gezamenlijk de aandelen houden in en bestuurder zijn van meerdere vennootschappen. Er ontstaat een conflict tussen deze twee personen. Beiden schakelen een advocaat in. Uiteindelijk doet één van de partijen (de eiser) in maart 2021 een aanbod om zijn aandelen over te dragen aan gedaagde. Gedaagde is blij met het aanbod en gaat op zoek naar een financier. Dat is kennelijk niet makkelijk want er wordt nog het nodige heen en weer geschreven. Eiser stelt zich op enig moment op het standpunt stelt dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Gedaagde is het daarmee niet eens.

Uiteindelijk wendt eiser zich tot de rechtbank. Hij vordert primair nakoming van de koopovereenkomst. Voor het geval gedaagde niet nakomt, vordert eiser dat gedaagde wordt uitgestoten als aandeelhouder. Gedaagde voert verweer en stelt een eis in reconventie in met ongeveer spiegelbeeldige vorderingen. Hij werpt daarnaast een incident op tot benoeming van een tijdelijke bestuurder. Volgens gedaagde zouden de bestuurders langs elkaar heen werken waardoor sprake zou zijn van een patstelling die een negatieve invloed heeft op de onderneming.

De Rechtbank Gelderland geeft een aantal interessante overwegingen:

  1. De rechtbank overweegt allereerst dat het uitgangspunt is dat benoeming van een tijdelijke bestuurder van een B.V. in beginsel is voorbehouden aan de OK. Volgens de rechtbank volgt dit uit Boek 2 BW. Zij licht verder toe dat de rechtbank slechts tot een dergelijke benoeming kan overgaan vooruitlopend op een enquêteprocedure en aan de hand van dezelfde toets als gehanteerd door de Ondernemingskamer.
  2. De rechtbank overweegt dat er gegronde redenen moeten zijn om aan te nemen dat eiseres zich als bestuurder schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid voordat de rechtbank overgaat tot benoeming van een tijdelijke bestuurder.

Het is de vraag of het oordeel van de Rechtbank Gelderland juist is. Ten aanzien van het eerste onderdeel: de wetgever heeft beoogd dat de Ondernemingskamer en de voorzieningenrechter (dan wel de bodemrechter) naast elkaar beschikbaar zijn voor partijen die voorzieningen wensen. Partijen kunnen uiteenlopende redenen hebben om geen enquêteprocedure aanhangig te maken. Indien een dergelijke procedure niet aan de orde is, moeten partijen bij de rechtbank terecht kunnen.

De tweede overweging van de rechtbank is eveneens opmerkelijk. Een oordeel van de Ondernemingskamer over wanbeleid volgt pas nadat een onderzoek heeft plaatsgevonden. Als de Ondernemingskamer een onmiddellijke voorziening treft, is wanbeleid niet aan de orde en wordt slechts beoordeeld of sprake is van “gegronde redenen”. Die toets legt de rechtbank niet aan.

Afsluitend

Het vragen van een voorziening bij de rechtbank kan een nuttig alternatief zijn voor het voeren van een enquêteprocedure. Deze uitspraak laat zien dat rechtbanken terughoudend kunnen zijn om in te grijpen binnen een vennootschap. Partijen doen er goed aan hiermee rekening te houden in een procedure bij de rechtbank.

Wieringa Advocaten heeft ruime ervaring met het voeren van procedures bij de Ondernemingskamer en rechtbanken. Als u vragen heeft over de benoeming van een tijdelijke bestuurder, neem dan gerust contact op.

Schaarse Vergunning Markt Zuidas (2) 

Gratis advies 

Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid heeft mijn blog over de wijze van verdelen van de schaarse vergunning voor de Zuidasmarkt goed gelezen en ter harte genomen. 

Ik schreef in mijn blog over het Besluit van het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid tot vaststelling van nadere regels voor de verlening van een vergunning voor de markt op afstand ‘Markt Zuidas’ van 16 februari 2021 (gerectificeerd gepubliceerd in het Gemeenteblad). Mijn conclusie was dat het daarin gekozen verdelingsmechanisme van de vergunning zich niet verdraagt met Marktverordening.

Gekozen was voor een verdeling door middel van loting van toegelaten aanvragen zonder toetsing aan inhoudelijke selectiecriteria. Gevolg daarvan is dat de loting bepaalt wie de vergunning verkrijgt ongeacht de inhoudelijke kwaliteit van de markt die wordt aangevraagd. Om aan de loting mee te doen is het immers voldoende dat de aanvraag volledig is. Een volledige aanvraag wordt toegelaten tot de loting, zonder inhoudelijke selectie vooraf. 

In artikel 5.3 van de toepasselijke Marktverordening treft men echter een hele waslijst inhoudelijke selectiecriteria aan. Letterlijk staat daar dat bij de vaststelling van de wijze van verdeling onder meer rekening gehouden met de diverse criteria, zoals geschiktheidseisen aan aanvragers, het productaanbod, het aantal, de kwaliteit en het uiterlijk aanzien van de te verhuren kramen, de hoogte van de prijs van de verhuur van de marktplaatsen en de kramen, het opbouwen en afbreken van de kramen, de aansprakelijkheid, reclame; afval en geluidshinder. Een hele waslijst van selectiecriteria dus. Door te kiezen voor een loting legde de gemeente een onverschilligheid ten aanzien van (de kwaliteit van) de uit te voeren activiteit aan de dag. Dat is niet te rijmen met de Marktverordening. 

Dit gratis advies is dus ter harte genomen. Bij besluit van 15 november 2022 heeft het dagelijks bestuur reparatiewerk verricht door het vaststellen van “Nadere regels voor de verlening van de vergunning voor de markt op afstand”. Daarin zijn – kennelijk in aanvulling op de eerdere Nadere regels uit 2021 – uitgebreide inhoudelijke criteria voor het selecteren van de beste gegadigde opgenomen. De aanvragen worden aan deze criteria getoetst. Indien het resultaat daarvan is dat er meer aanvragen als gelijkwaardig worden beoordeeld, vindt de loting onder deze aanvragen plaats.  

Natuurlijk roepen deze Nadere regels nieuwe vragen op. In het bijzonder is de vraag of de opgenomen selectiecriteria voldoen aan de eisen dat deze duidelijk en ondubbelzinnig, objectief, transparant en toegankelijk zijn.  

Selecteren op volgorde van binnenkomst in Didam-kwesties

De rechtbank Gelderland heeft in een recente uitspraak over een Didam-kwestie (ECLI:NL:RBGEL:2022:3065) geoordeeld dat het selecteren van inschrijvers op basis van het moment van binnenkomst (‘first come, first serve’) niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

De Gemeente Zevenaar was voornemens om 23 kavels te verkopen en had daartoe een 1e selectieprocedure ingesteld. De gemeente zou selecteren op basis van binnenkomst omdat sommige geïnteresseerden zich al enkele jaren eerder gemeld. De 1e selectieprocedure heeft geresulteerd in een rangschikking van geïnteresseerde kopers. Op grond hiervan zou de gemeente in beginsel een opties op de beschikbare kavels verlenen.

Hiervan kwam het echter niet, omdat de gemeente zich geconfronteerd zag met het Didam-arrest. De gemeente meende dat de 1e selectieprocedure in daarmee in strijd was. Hierom heeft de gemeente de 1e selectieprocedure gestaakt en een nieuwe uitgifteprocedure vastgesteld. De gemeente zou daarbij geen rekening meer houden met geïnteresseerden die zich al eerder bij haar hadden gemeld. De volgorde van binnenkomst bepaalde ook niet meer de rangschikking. 

De geïnteresseerden die volgens de 1e selectieprocedure een optie op een kavel zouden krijgen, vreesden toch nog achter het net te vissen. In een kort geding voerden zij aan dat de gemeente onrechtmatig handelt door de 1e selectieprocedure te staken en de 2e selectieprocedure te starten.

Vereisten selectieprocedure uit het Didam-arrest

In het Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2021:1778) heeft de Hoge Raad onder meer bepaald dat een selectieprocedure moet zijn gebaseerd op selectiecriteria die objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen.

De rechtbank overweegt dat het bij de gemeente bestendig gebruik was dat geïnteresseerden uit eerdere selectieprocedures hun inschrijftijd behielden. Dit was ook in die eerdere uitgifteprocedures is medegedeeld. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de ABRvS inzake Vlaardingen (ECLI:NL:ABRVS:2016:2927). De ABRvS overwoog in die uitspraak dat de mededingingsnorm zich niet verzet tegen selecteren op volgorde van binnenkomst.

De rechtbank is dan ook voorshands van oordeel dat 1e selectieprocedure niet in strijd waren met de criteria van het Didam-arrest en dat de gemeente die dus niet had hoeven afbreken. 

Vlaardingen-uitspraak

In de Vlaardingen-uitspraak overwoog de ABRvS dat selecteren op volgorde van binnenkomst van aanvragen is toegestaan. De potentiële gegadigden moeten wel een gelijke kans hebben om te kunnen wedijveren om het schaarse publieke recht. De mededingingsnorm sluit, zolang de wettelijke voorschriften zich niet tegen een bepaalde vorm van verdeling verzetten, geen enkele verdelingsprocedure uit. Ook niet de verdeling op volgorde van binnenkomst.

Daar waar het Didam-arrest betrekking heeft op civiele uitgifte van grond, gaat het in de Vlaardingen-uitspraak om uitgifte van publieke rechten. In zoverre is het ook maar de vraag of de overwegingen van de ABRvS één op één te vertalen zijn naar civiele gronduitgifte. Een selectie voor de uitgifte van publieke rechten gaat namelijk in de regel gepaard met vergunningvoorwaarden. Een inschrijver kan dan wel de eerste zijn die binnenkomt, maar als de inschrijver niet voldoet aan de vergunningvoorwaarden verkrijgt hij het publieke recht alsnog niet. Dat geldt niet voor civiele uitgifte van grond. Het is daarom niet goed denkbaar dat bij uitgifte van grond alléén wordt geselecteerd op volgorde van binnenkomst. Er zullen toch altijd (objectieve, toetsbare en redelijke) randvoorwaarden gesteld moeten worden, bijvoorbeeld voor wat betreft de prijs. Kortom: selecteren op volgorde van binnenkomst zal in Didam-kwesties mogen. Of het aan te raden is, is een tweede.

DNB publiceert rapport: “wij zien crypto niet als geld”

De kans is vrij groot dat u ze zelf bezit: crypto’s. Ongeveer twee miljoen Nederlanders beleggen er tegenwoordig namelijk in. In 2018 waren dat er nog ‘slechts’ 900.000. Mocht u ze bezitten dan is het u waarschijnlijk ook niet ontgaan dat Bitcoin en andere cryptovaluta in de afgelopen twee weken zeker 20% van hun waarde verloren. Die abrupte waardedaling was het gevolg van paniek onder beleggers vanwege liquiditeitsproblemen bij cryptobeurs FTX en de voorgenomen overname door Binance – die na boekenonderzoek ineens toch niet doorging.

Afgelopen week bleek bovendien dat zeker één miljard dollar aan cryptotegoeden zou zijn verdwenen bij FTX. Gisteren werd na een roerige week uiteindelijk het faillissement van FTX aangevraagd. De kans dat klanten nog wat van hun tegoeden terugzien is niet groot. Uit deze ontwikkelingen van de afgelopen weken blijkt wel dat cryptomarkten nog steeds zeer volatiel zijn en dat wet- en regelgeving voor onder meer het toezicht op cryptomarkten en cryptodienstverleners noodzakelijk is.

Meer problemen op de cryptomarkt

De problemen bij FTX staan niet op zichzelf. Begin mei van dit jaar maakten de cryptokoersen ook al een duikvlucht. De paniek werd die keer veroorzaakt door de implosie van terraUSD, een zogenoemde “stablecoin”. En medio juni van dit jaar gingen de cryptokoersen ook hard onderuit. Tegoeden van klanten bij cryptobank Celsius Network werden bevroren vanwege liquiditeitsproblemen, met een bankrun tot gevolg. Zo bezien brengen crypto’s door hun volatiele karakter voor beleggers nog steeds grote risico’s met zich mee.

Rapport DNB over cryptovaluta

DNB publiceerde vorige week (toevallig) een rapport over de ontwikkeling van crypto in de afgelopen jaren en gaat uitgebreid op deze problematiek in. De DNB evalueert daarin de ontwikkeling van cryptovaluta en analyseert hoe het beleid daarop dient te worden afgestemd. De belangrijkste conclusie van DNB is dat ongedekte crypto’s door hun volatiele karakter niet geschikt zijn om de functies van betaalmiddel, oppotmiddel en rekeneenheid goed te kunnen vervullen. Het ontbreken van onderliggende activa en een monetaire autoriteit die de waarde stabiliseert zou zorgen voor grote onzekerheid over de waarde. De belangrijkste conclusie van DNB luidt daarom: crypto’s kunnen niet worden beschouwd als geld.

Grote verschillen cryptogebruik

Uit onderzoek van DNB blijkt dat slechts 3% van de cryptobezitters aangeeft dat ze in 2022 wel eens iets met cryptovaluta hebben gekocht. Tegelijkertijd geeft 63% van de cryptobezitters aan dat investeren in cryptomunten hetzelfde is als gokken. Uit het onderzoek blijkt wel een groot verschil te bestaan in cryptogebruik tussen ontwikkelde en opkomende economieën. Vooral in ontwikkelde economieën zouden crypto’s voornamelijk worden gebruikt om te speculeren en te gokken.

Crypto: hype of toekomst?

Is DNB uitsluitend negatief over Crypto? Nee, DNB ziet ook kansen. De achterliggende technologie van sommige crypto maakt mondiale overboekingen binnen enkele seconden mogelijk, en potentieel met een laag energieverbruik. Een wallet-eigenaar kan zonder de hulp van een intermediair anoniem betalingen verzenden en ontvangen. Crypto’s zijn bovendien moeilijk in beslag te nemen door corrupte overheden. Daarnaast zijn de infrastructuren van crypto niet afhankelijk van centrale servers, maar zijn ze 24 uur per dag beschikbaar door het decentrale karakter.

DNB signaleert ook kansen voor wat betreft de ‘tokenisatie’ van financiële activa. Traditionele financiële activa worden daarbij omgezet in tokens op de Blockchain. Die tokens fungeren vervolgens als eigendomsbewijs. Via de Blockchain kunnen deze tokens eenvoudig en snel worden overgedragen, en daarmee dus ook de financiële activa zoals eigendoms- en gebruiksrechten die zij representeren. Dat kunnen allerlei activa zijn zoals bijvoorbeeld effecten en vastgoed. Financiële instellingen zijn voor de overdracht dan niet langer nodig.

Ongedekte crypto’s: hoge prijsvolatiliteit

De DNB noemt als grootste probleem van ongedekte cryptoactiva de hoge prijsvolatiliteit. De achterliggende algoritmes van veel cryptoactiva bepalen allereerst dat er een vaste geldhoeveelheid is. Daarmee wordt een kunstmatige schaarste gecreëerd. Dat zorgt ervoor dat er geen monetair beleid kan worden gevoerd waardoor niet kan worden gereageerd op economische omstandigheden. Wat de prijsvolatiliteit nog meer zou versterken is de omstandigheid dat veel cryptobeleggers hun speculatieve beleggingen langer vasthouden. Doordat veel cryptoactiva daarom langer uit omloop worden genomen bestaat er een kleiner aanbod van crypto’s . Dat resulteert erin dat een verandering in de vraag de prijs sterker beïnvloedt.

Ongedekte crypto’s: ongedekte effecten

DNB signaleert verder dat ongedekte crypto’s in feite vaak fungeren als ongedekte effecten. Door middel van ICO’s – te vergelijken met traditionele IPO’s – wordt kapitaal vergaard door moderne blockchainbedrijven. Anders dan bij traditionele effecten heeft de houder van een uitgegeven token vaak geen eigendoms-, bestuurs- of winstrechten in de onderneming. Bovendien is vaak sprake van een geringe rechtsbescherming en een gebrek aan zeggenschap. Volgens DNB zou slechts 3% van de ICO’s onder de traditionele effecten-wetgeving vallen.

De waarde van ongedekte cryptoactiva die fungeren als effecten wordt bepaald op basis van vraag en aanbod. Ongedekte cryptoactiva hebben in tegenstelling tot traditionele effecten geen onderliggende activa of rechten. Hun prijs is vaak afhankelijk van de kans dat met de aangeboden Blockchaindiensten een netwerk van gebruikers wordt opgebouwd. De houders van ongedekte cryptoactiva hebben niet de rechten van aandeelhouders of crediteuren. Bovendien zijn er geen activa die kunnen worden aangesproken in geval van vertrouwensverlies. Deze omstandigheden leiden er volgens DNB toe dat de waarde van ongedekte cryptoactiva als effecten onzeker en volatiel is. Als speculatieve belegging brengen cryptoactiva volgens DNB daarom aanzienlijke risico’s met zich mee voor de bescherming van consumenten en beleggers. Bij verdere groei zouden de cryptomarkten zelfs een bedreiging kunnen vormen voor de mondiale financiële stabiliteit.

Stablecoins

DNB is een stuk enthousiaster over stablecoins. In tegenstelling tot ongedekte cryptoactiva hebben stablecoins namelijk wel een onderliggende waarde die zorgt voor een stabilisatie van de prijs. Hoewel de prijs van stablecoins daardoor stabieler is dan die van ongedekte crypto’s, dragen zij op hun beurt weer een ander risico met zich mee. Juist door hun directere link met het bredere financiële systeem, zijn de gevolgen wanneer het misgaat juist groter. Bij gebrek aan vertrouwen kan er een run op stablecoins ontstaan die grote gevolgen heeft voor het monetaire stelsel als geheel.

Een potentieel risico is dat uitgevende entiteiten van stablecoins bijvoorbeeld geneigd zouden kunnen zijn om het rendement op hun activa te verhogen zodra hun stablecoins gebruikt en vertrouwd worden. Ze zouden kunnen overstappen op risicovollere activa of zelfs leningen, de dekking kunnen verlagen of de inwisselbaarheid geheel kunnen beperken. Wanneer het publiek erachter komt dat de activadekking ontoereikend is dan zou er een bank run kunnen ontstaan. Het grootschalige ongereguleerde gebruik van stablecoins brengt daardoor risico’s met zich mee voor het functioneren van financiële-marktinfrastructuren.

Behoefte aan regulering

Er is nog steeds weinig wetgeving (afgezien van antiwitwaswetgeving) van toepassing op cryptomarkten en cryptoactiva. Door de nog steeds toenemende omvang en impact van cryptomarkten is er echter grote behoefte aan regulering. Volgens DNB zouden cryptoactiva moeten zijn onderworpen aan soortgelijke regelgeving zodra zij soortgelijke functies bieden en soortgelijke risico’s opleveren als traditionele financiële activa. DNB verwelkomt daarom de nieuwe Verordening betreffende markten in cryptoactiva (MiCA). Die verordening biedt namelijk uniforme regels voor cryptomarkten binnen de Europese Unie. Voor uitgevers van stablecoins en voor iedereen die cryptodiensten aanbiedt, gaat onder meer een vergunningsplicht gelden. Naar verwachting zal de nieuwe verordening in 2024 van kracht worden.

Wieringa Advocaten

Wilt u meer weten over deze nieuwe verordening? Wij schreven eerder een blog over de nieuwe MiCA-verordening. Bij vragen over deze blog, de nieuwe MiCA-verordening of crypto in het algemeen kunt u natuurlijk ook altijd contact met ons opnemen. We hebben verstand van de achterliggende techniek en staan verschillende grotere en kleinere cryptodienstverleners en blockchainondernemingen bij met juridisch advies.

Initiatiefvoorstel Wet verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen

De Tweede Kamerleden Van der Graaf (CU), Van Dijk (SP), Thijssen (PvdA), Van der Lee (Groenlinks), Koekkoek (Volt) en Hammelburg (D66) hebben een wetsvoorstel ingediend waarmee zij beogen Nederlandse ondernemingen die internationaal opereren verantwoord en duurzaam te laten ondernemen. Actuele problematiek, getuige bijvoorbeeld de recente discussie over de rol van bepaalde ondernemingen bij het WK in Qatar.

Inhoud

In de kern houdt dit wetsvoorstel in dat Nederlandse ondernemingen die internationaal opereren verplicht worden de mogelijke nadelige gevolgen van hun activiteiten ten aanzien van de mensenrechten, arbeidsrechten en het milieu in een land buiten Nederland te beperken. Voor een specifieke categorie van ondernemingen worden ook regels geïntroduceerd met betrekking tot de zorgvuldigheid die zij in de productieketen in acht moeten nemen. Hiermee worden de bestaande (niet-bindende) OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen nadrukkelijker opgelegd aan ondernemingen.

Status en inwerkingtreding

Een eerste versie van dit wetsvoorstel is op 11 maart 2021 ingediend. Na het advies van de Raad van State zijn de nodige aanpassingen gemaakt. Op dit moment is het wetsvoorstel in behandeling bij de Tweede Kamer, waarna de behandeling bij de Eerste Kamer nog moet beginnen.

Het streven was om een deel van de wet met ingang van 1 januari 2023 in werking te laten treden. De bepalingen over het bestuursrechtelijk toezicht en de bestuursrechtelijke handhaving zouden per 1 juli 2023 gaan gelden en die over strafrechtelijke handhaving per 1 januari 2024. Verder is in het wetsvoorstel opgenomen dat een deel van de regels voor middelgrote ondernemingen vijf jaar later in werking treedt dan voor grote ondernemingen.

Aansprakelijkheid

Een interessant aspect van dit wetsvoorstel is dat meer mogelijkheden ontstaan om Nederlandse ondernemingen aansprakelijk te stellen die buiten Nederland niet (voldoende) verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen. Op dit moment bestaat voor hen alleen de algemene norm van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) om niet in strijd te handelen met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Deze norm wordt met dit wetsvoorstel dus nader ingekleed door een meer specifieke zorgplicht te formuleren.

Het gaat hier om een open norm die in beginsel zowel door individuele benadeelden als door belangenbehartigers kan worden gehandhaafd. Zij kunnen een schadevergoedingsvordering instellen. Daarnaast behoren bijvoorbeeld het vorderen van een verklaring voor recht of een bevelsactie tot nakoming, al dan niet via een collectieve actie, tot de mogelijkheden. De toekomst moet uitwijzen in hoeverre dat ook op grote schaal gaat gebeuren.

Wieringa Advocaten

Heeft u vragen over dit wetsvoorstel of de mogelijke aansprakelijkheid van een onderneming vanwege het niet (voldoende) verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen? Neem gerust contact met ons op. Wij zijn u graag van dienst.

Amsterdamse Leegstandsverordening 2022 treedt op 1 december 2022 in werking

De gemeenteraad van Amsterdam heeft de Leegstandsverordening 2022 in de vergadering van 9 november 2022 vastgesteld. De Leegstandsverordening 2022 treedt op 1 december 2022 in werking.

In februari 2022 blogden wij al over de concept Leegstandsverordening 2022 die tot 31 maart 2022 voor inspraak ter inzage lag. In dit blog beschreven wij de grondslag en belangrijke wijzigingen ten opzichte van de Leegstandsverordening 2016. Heeft de concept Leegstandsverordening de verdere besluitvorming zonder kleerscheuren overleefd?

Inspraak

Er zijn in totaal 124 inspraakreacties ingediend door burgers en bedrijven. En ook hebben de stadsdelen geadviseerd over de voorgestelde conceptwijzigingen. De reacties zijn overwegend positief en onderschrijven maatregelen ter voorkoming van leegstand. Er zijn ook kritische noten: burgers en bedrijven zien óók een vrij vergaande inbreuk op het eigendomsrecht. De stadsdelen hebben voornamelijk vragen over de capaciteit die nodig is voor handhaving. Stadsdeel Centrum vestigt bijvoorbeeld aandacht op woonboten, waar kennelijk veel sprake is van leegstand.

Maximale marktconforme huurprijs

De Leegstandsverordening 2022 maakt het mogelijk dat de eigenaar wordt verplicht om het leegstaande gebouw te verhuren tegen een door het college vast te stellen marktconforme huurprijs. Bij het vaststellen van de maximale marktconforme huurprijs zal het college bij niet-geliberaliseerde woningen uitgaan van de maximale redelijke huurprijs op basis van het woningwaarderingsstelsel. Voor de maximale marktconforme huurprijs voor geliberaliseerde woningen gaat het college uit van de marktconforme huurprijs voor de woning in de staat waarin ze verkeert, waarbij rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering vanwege eventueel aan te brengen noodzakelijke voorzieningen om de woning bewoonbaar te maken. Het college heeft inmiddels bekend gemaakt bij het bepalen van de maximale huurprijs voor geliberaliseerde woningen uit te gaan van 4% van de WOZ-waarde en dan gedeeld door 12 (= maanden).

Werkingsgebied kantoorgebouwen

De Leegstandsverordening 2022 heeft een beperkte reikwijdte ten opzichte van kantoren. De Leegstandsverordening 2022 is voor kantoren alleen van toepassing in drie aangewezen werkingsgebieden. Dat zijn Amstel III, Teleport en het Rieker Business Park. Deze drie werkingsgebieden zijn nader afgebakend in kaarten die als bijlage bij de verordening zijn gevoegd.

Boetes

Het college kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de meldplicht. Voor kantoorgebouwen is dit bedrag vastgesteld op € 7.500,-. Voor woonruimte is dit bedrag vastgesteld op € 9.000,- voor professionals en € 4.500,- voor overige overtreders. De boetes zijn een fractie hoger dan in het concept. Hoger is echter niet mogelijk vanwege een in het strafrecht bepaald maximum. De overtreder kan bijzondere omstandigheden aanvoeren die nopen tot matiging van het boetebedrag.

Relatie met Regeling Opkoopbescherming

Het college heeft nader gekeken naar de verhouding tussen de Leegstandsverordening en de opkoopbescherming uit de Huisvestingsverordening. Het college sanctioneert een overtreding van de leegstandbeschikking ook als de mogelijkheid tot het in gebruik geven van de woning als gevolg van de opkoopbescherming slechts onder voorwaarden mogelijk is. Indien de woning onder de regelgeving van de opkoopbescherming valt, het college kijken naar de gronden om een verhuurvergunning aan te vragen op grond van de Huisvestingsverordening.

Na ontruiming volgt handhaving

Het komt nogal eens voor dat panden gekraakt worden. Onder bepaalde omstandigheden kan het Openbaar Ministerie tot ontruiming overgaan. De gemeenteraad heeft het niet de bedoeling geacht om te ontruimen voor leegstand. Daarom zal het college gaan onderzoeken of de ontruiming van een gekraakt pand als leegstandsmelding kan worden gebruikt. Het college gaat ook onderzoeken of bij ontruiming kan worden bekeken of de datum van de kraak zelf, als eerdere datum van leegstand kan worden vastgesteld

Mocht u naar aanleiding van deze blog behoefte hebben aan advies, neem dan gerust contact op met één van onze advocaten. Wieringa Advocaten is u graag van dienst.

Handreiking implementatie Didam-arrest

Wij schreven eerder over de zoektocht naar de gevolgen van het Didam-arrest. Er is nu een nieuwe publicatie, die voor de praktijk behulpzaam kan zijn. In opdracht van het Ministerie van BZK, de NEPROM, de VNG en de VvG heeft prof. dr. ir. A.G. Bregman de ‘Handreiking implementatie van het arrest Didam in het gemeentelijke grond(uitgifte)- beleid ten behoeve van vastgoed- en gebiedsontwikkeling‘ geschreven.  

De Handreiking is geschreven als hulp bij gronduitgifte door een overheidslichaam, bijvoorbeeld ten behoeve van verwerking ervan in het gemeentelijk Gronduitgiftebeleid. De Handreiking behandeld grosso modo twee onderwerpen: 

1. De juiste en adequate inrichting van een openbare selectieprocedure indien deze op grond van het arrest voor de vervreemding van onroerende zaken moet worden gevolgd en  

2. Mogelijkheden om een één-op-één-samenwerking met een marktpartij te kunnen aangaan en hoe de openbare publicatie in dat geval dient plaats te vinden. 

Bereik van de Handreiking

Hiermee is tevens het bereik van de Handreiking aanzienlijk beperkt. De Handreiking werpt geen licht op of het arrest ook van belang kan zijn voor andere vormen van gronduitgifte en of dan dezelfde voorwaarden gelden. Bij andere vormen van uitgifte gaat het om erfpacht- en opstalrechten, maar ook persoonlijke gebruiksrechten zoals huur, ruil, bruikleen, pacht en andere (aan de ontwikkeling en realisatie van) vastgoed gerelateerde overeenkomsten zoals publiek-private samenwerkingsovereenkomsten waarin dergelijke rechten worden vergeven. In het algemeen wordt aangenomen dat dit wel het geval is. 

De rechterlijke uitspraken waarop de Handreiking is gebaseerd zijn bovendien in de regel gegeven in voorlopige voorzieningenprocedures. De duurzaamheid van die uitspraken moet nog blijken.

De Handreiking beoogt wel te verduidelijken wanneer er sprake is van één serieuze gegadigde. Dat is de uitzondering waarin de mededingingsruimte door middel van een selectieprocedure niet hoeft te worden geboden. De Handreiking bespreekt diverse onderwerpen zoals bouwclaims, compensatie/ruil, toevoeging van aangrenzende grond, specifiek vastgoed op een specifieke locatie, initiatieven vanuit de markt en gemengd publiek-private eigendom in een gebied dat integraal dient te worden ontwikkeld (waarbij samenwerking met marktpartijen en daaruit voorvloeiende gemeentelijke grondverkoop ter voorkoming van onteigening een criterium kan vormen dat heel wel past in de gemeentelijke beleidsruimte). 

Over de gevolgen van het Didam-arrest is met deze Handreiking bepaald niet het laatste woord gezegd. In de zoektocht naar duidelijkheid is er genoeg reden om de Handreiking te vermelden

Openbaar water in de achtertuin

Het belemmeren van openbaar (vaar)water is volgens wet- en regelgeving en vaste jurisprudentie verboden. Ook indien de watergang op de plaats van de belemmering geheel op een perceel is gelegen van degene die de belemmering heeft geplaatst. De eigenaar van het perceel is eigenaar van de grond onder het water maar heeft een duldplicht ten opzichte van het normaal gebruik door derden van het betreffende water. 

Wanneer een water openbaar is kan tot discussies leiden. Een eigenaar van een perceel waarover een smalle sloot loopt kan bijvoorbeeld gemakkelijk denken dat dit water niet openbaar is, het loopt immers over zijn perceel en het is wellicht te smal om met een boot doorheen te varen. Toch is openbaarheid van water vrij makkelijk vast te stellen.

Openbaar (vaar)water

Openbaarheid impliceert toegankelijkheid voor een ieder. Dit houdt het ongeclausuleerd gebruik in. Hierover heeft de Hoge Raad vrij recent nog eens uitspraak gedaan[2].  In die kwestie was de vraag of een overnachtingshaven als openbaar (vaar)water kon worden aangemerkt. Dat was (voor dat gedeelte van het water) in die zaak niet het geval omdat de haven slechts toegankelijk was tussen bepaalde tijdstippen en slechts toegankelijk voor duidelijk afgebakende gebruikersgroep.

Toegespitst op openbare waterpercelen is in de wetsgeschiedenis[1] onderscheid gemaakt tussen openbare wateren en openbare vaarwateren. Onder ‘openbaar water’ verstaat de wetgever ‘ieder water, dat voor enig gebruik openstaat voor het publiek’. Daaronder vallen mede de openbare wateren die slechts door pleziervaartuigen worden bevaren alsmede de niet-stromende wateren, die openstaan voor beroeps- of pleziervaart, en ook de wateren waar schepen en jachten niet kunnen komen, maar die toch voor het publiek toegankelijk zijn, bijvoorbeeld om er te vissen of te zwemmen. Het feitelijk gebruik is hierbij bepalend.

De breedte en diepte van het water is dus (zoals uit hierboven aangehaald arrest ook blijkt) niet van belang voor de kwalificatie van ‘openbaarheid’ van een water. Zo kan een grote haven aangemerkt worden als niet openbaar en een sloot in de achtertuin als openbaar.

En het eigendomsrecht dan?

Het eigendomsrecht geeft de eigenaar in beginsel het recht vrij te beschikken over zijn grond en de ruimte daarboven (artikel 5:1 en 5:21 BW). Het gebruik door de eigenaar mag echter niet in strijd zijn met rechten van anderen. De eigenaar heeft namelijk de plicht om -onder andere- normaal gebruik van een openbare zaak te dulden zo volgt uit artikel 5:1 lid 2 BW. Hieronder valt dus ook het gebruik van een openbaar water.

Wat is nomaal gebruik?

Het gevolg van de kwalificatie ‘openbaar (vaar)water’ is dat de eigenaar van het perceel waarover het water stroomt of aanwezig is normaal gebruik door derden dient te dulden.  Het criterium dat hier moet worden gehanteerd is volgens vaste rechtspraak [3] of van het openbaar (vaar)water een ‘gebruik wordt gemaakt, dat verder gaat dan datgene, wat aan een ieder vrijstaat alleen reeds, omdat de vaarweg openbaar is, welk gebruik zich beperkt tot het gewone verkeer van den waterweg met inbegrip van het tijdelijk daarin stilliggen, dat met dit verkeer in zodanig verband staat, dat het geacht mag worden daarvan deel uit te maken.’ Zelfs intensiever gebruik -zoals het ankeren op het waterperceel voor recreatieve doeleinden- kan dus in omstandigheden moeten worden geduld door de eigenaar van het waterperceel.

Gemeentelijke regelgeving

Vaak is er op decentraal niveau in een plaatselijke verordening vastgelegd dat het belemmeren van een openbaar water verboden is. Bijvoorbeeld in de algemene plaatselijke verordening. Daarnaast zijn voor bepaalde regio’s ook verordeningen van toepassing met namen als plassenverordening, verordening op het plassenschap en dergelijke. Daarin worden vaak ook verboden opgenomen voor de belemmering van openbaar water. Ook wordt er vaak in dergelijke verordeningen aangesloten bij de definitie van ‘openbaar’ zoals hierboven beschreven waarbij het feitelijk gebruik (zoals voordat dit belemmerd werd) leidend is.

Een water is dus snel als openbaar aan te merken. Ook als het over een perceel loopt dat in privé eigendom is! Het plaatsen van bijvoorbeeld palen om uw erf af te schermen voor ongenode gasten is dan ook meestal verboden.


[1] Parl. Gesch. Boek 5 BW, 1981, p. 138 (MvT art. 5:27 BW) en p. 140 (MvA II en MO ad art. 5:27 BW).

[2] HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1815.

[3] HR 17 januari 1941, NJ 1941, 644 (Parlevinker) en HR 5 juni 1992, NJ 1992, 539 (Spaanse Water).

Veelgebruikte clausules in algemene voorwaarden

Deze blog is onderdeel van de Serie Algemene voorwaarden.

Hoewel de algemene voorwaarden van een contractspartij veelal afhankelijk zijn van de aard van de onderneming die geëxploiteerd wordt, is er een aantal generieke clausules dat in veel algemene voorwaarden voorkomt. In deze blog bespreken wij een aantal van deze veelvoorkomende clausules.

Toepasselijkheid

De algemene voorwaarden beginnen veelal met een bepaling die de toepasselijkheid van die voorwaarden regelt. In deze bepaling definieert de gebruiker van de algemene voorwaarden de wederpartij en omschrijft hij de situaties en de rechtshandelingen waarop de voorwaarden van toepassing zijn. In deze bepaling kan de gebruiker tevens de eventuele algemene voorwaarden van de wederpartij van de hand wijzen (zie over het uitdrukkelijk van de hand wijzen van algemene voorwaarden de wederpartij onze eerdere blog).

Aansprakelijkheid

De aansprakelijkheidsclausule is onmisbaar in de algemene voorwaarden. Met een exoneratieclausule kan de gebruiker van de algemene voorwaarde haar eventuele aansprakelijkheid voor schade van de wederpartij (en derden) beperken of zelfs uitsluiten. Een exoneratieclausule is opgenomen op de grijze lijst van artikel 6:237 BW, die ten aanzien van overeenkomsten met consumenten een aantal bedingen aanwijst dat wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. De clausule is dan vernietigbaar tenzij de gebruiker kan aantonen dat het betreffende beding in de gegeven situatie niet onredelijk is.

Rechtskeuze en forumkeuze

Tussen contractspartijen kunnen conflicten ontstaan die tot een gerechtelijke procedure kunnen leiden. Wanneer de rechtsverhouding een grensoverschrijdend element kent, bepalen in beginsel de regels van internationaal privaatrecht welke rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en welk nationaal recht op de rechtsverhouding van toepassing is. Om te voorkomen dat een contractspartij in geval van een grensoverschrijdend conflict naar een ver land moet afreizen, danwel dat deze wordt geconfronteerd met regels van een voor hem onbekend rechtsstelsel, kan een contractspartij middels een forumkeuzeclausule een bevoegde (Nederlandse) rechter aanwijzen en middels een rechtskeuzeclausule een rechtskeuze maken (voor Nederlands recht).

Boete

In de algemene voorwaarden kan een contractspartij een boeteclausule opnemen waarbij een wederpartij in geval van een tekortkoming gehouden is een geldsom te voldoen. Een boeteclausule beoogt de wederpartij aan te sporen tot nakoming van de contractuele afspraken en kan bewijsproblemen ten aanzien van de omvang van de schade voorkomen. De schade wordt dan gefixeerd op een bepaald boetebedrag.

Overmacht

Op grond van artikel 6:75 BW kan een tekortkoming een schuldenaar niet worden toegerekend indien deze te wijten is aan overmacht. Omdat de wet niet specificeert welke omstandigheden onder overmacht vallen, hebben veel partijen een overmachtsclausule opgenomen in hun voorwaarden, waarin zij toegespitst op de aard van de onderneming meer uitgebreid beschrijven welke situaties vallen onder overmacht en wat daarvan de gevolgen zijn.

Wieringa Advocaten

Hebt u vragen over het gebruik van algemene voorwaarden door uzelf of uw contractspartij, of wilt u algemene voorwaarden opstellen die zijn toegespitst op uw activiteiten? Neem gerust contact met ons op. Wij hebben ruime ervaring met het adviseren en procederen over algemene voorwaarden en zijn u vanzelfsprekend graag van dienst.

Wij hebben bij Wieringa Advocaten voortdurend één of twee ‘student-stagiaires’ in dienst, rechtenstudenten die bij ons kennismaken met de advocatuur. Noa-Lise Baart, bachelorstudent aan de Universiteit van Amsterdam, volgt op dit moment die studentstage. Ten behoeve van onze weblog schreef zij, samen met Fleur Diderich, deze bijdrage over veelgebruikte clausules in algemene voorwaarden.

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Schrijf u in voor onze nieuwsbrief