icon

Oormerken van vee gekwalificeerd als dierenmishandeling!

De economische politierechter te Amsterdam heeft afgelopen donderdag een belangrijke uitspraak gedaan. Het verbod op dierenmishandeling is door hem van een hogere rangorde geacht dan de plicht bepaalde dieren van een oormerk te voorzien. In feite is daarmee het oormerken van dieren ook daadwerkelijk aangemerkt als dieren-mishandeling.

Een mevrouw in Amstelveen had runderen, varkens en schapen gehouden zonder deze dieren te voorzien van een oormerk, zoals voorgeschreven is in de “Regeling identificatie en registratie van dieren 2003”. Dat is een strafbaar feit; de mevrouw werd dan ook voor de economische politierechter (een bijzondere strafrechter) gedagvaard door het Openbaar Ministerie.
Het feit werd door de dader bekend. Zij voerde echter onder andere tot haar verdediging aan dat zij gewetensbezwaren had tegen het (pijnlijke) oormerken van de dieren. In dat kader wees zij erop dat artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren haar verbiedt “dieren pijn of letsel te bezorgen zonder redelijk doel of met overschrijding van wat ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is”. Aldus deed zij, volgens haar advocaat, een beroep op de zogenaamde strafuitsluitingsgrond van artikel 42 Wetboek van Strafrecht: “niet strafbaar is hij, die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.”

De rechter honoreerde dit verweer. Het oormerken van dieren heeft volgens hem op zichzelf een redelijk doel, namelijk het beperken van de omvang en gevolgen van besmettelijke ziekten onder dieren en bescherming van de volksgezondheid. Maar dit redelijke doel rechtvaardigt in dit geval niet het toebrengen van pijn of letsel aan dieren. En ook dan, als het doel de middelen niet heiligt, zou sprake zijn van dierenmishandeling in de zin van artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.
De rechter wees daarbij expliciet op de pijn die het oormerken bij dieren veroorzaakt en op het letsel dat ontstaat wanneer het oormerk ergens achter blijft hangen en daardoor soms zelfs uit het oor gescheurd wordt. De rechter meende dat het opkomen van de chip als identificatie- en registratiemiddel in dit verband van belang is: “Het (onderhuids) inbrengen van zo'n chip levert voor het dier geen pijn of letsel van betekenis op. Bij honden en katten gebeurt het al jaren. Voor paarden is het zelfs sinds 1 januari 2002 verplicht […]. Daarom valt niet in te zien dat deze methode niet óók bij runderen, varkens en schapen kan worden toegepast. Anders gezegd: sinds enige tijd, is voor deze dieren het oormerken te beschouwen als overschrijding van wat ter bereiking van het doel ervan toelaatbaar is.”

Dat is duidelijke taal. En het heeft ook een duidelijke consequentie. Omdat het in genoemd artikel 36 vervatte verbod op dierenmishandeling is opgenomen in een wet in formele zin (een product van onze hoogste wetgever: Regering en Staten Generaal) gaat het voor de plicht in de Identificatieregeling. Dat is namelijk een regeling van lagere rangorde dan een wet in formele zin. Zoals de rechter het formuleerde: “Verdachte heeft dus de juridisch zwaarste plicht het zwaarst laten wegen.”

Zijn we nu de komende zomer verlost van al die zielige koeien in de wei, met die lelijke gele flappen in hun oren? Dat moet worden afgewacht. Hoe belangwekkend de uitspraak ook is: het is een uitspraak van de rechter in eerste instantie. Jurisprudentie wordt doorgaans gevormd door uitspraken van hogere rechters. Het is mij nog niet bekend of het Openbaar Ministerie hoger beroep gaat instellen; wij houden u op de hoogte.

Heeft u vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Oormerken van vee gekwalificeerd als dierenmishandeling!