icon

Waarschuwingsplicht van de aannemer

Bij het aangaan of het uitvoeren van aan aannemingsovereenkomst is de aannemer verplicht om de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen, aldus artikel 7:754 van het Burgerlijk Wetboek. Dit wordt kortweg “waarschuwingsplicht” genoemd. Als de aannemer niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht, is deze in principe gehouden om de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Bij veel bouwgeschillen, speelt de vraag in hoeverre de aan de (specifieke) deskundigheid van de opdrachtgever een rol mag spelen bij de beoordeling of de aannemer had behoren te waarschuwen tegen een onjuistheid in de opdracht.

De Hoge Raad en de Raad van Arbitrage voor de Bouw (RvA) zijn het op dit punt niet geheel met elkaar eens, althans hebben ieder hun eigen benadering. Dat blijkt als men de arresten HR KPI/Leba (HR 18 september 1998, NJ 1998, 818), HR NSC/Pongers (BR 2005/ 140, p. 634 CO3/129) vergelijkt met de uitspraak RvA 15 februari 2005, No. 70.708.

De Hoge Raad maakt bij de beantwoording van deze vraag een onderscheid tussen twee niveaus van beoordeling. Het eerste niveau is de vestiging van de aansprakelijkheid van de aannemer wegens het tekortschieten in zijn waarschuwingsplicht. Is er een waarschuwingsplicht en, zo ja, heeft de aannemer voldaan aan die waarschuwingsplicht ? Het tweede niveau is het bepalen van de omvang van een eventuele schadevergoedingsplicht.

Op het eerste niveau speelt volgens de Hoge Raad de bij de opdrachtgever aanwezige deskundigheid in beginsel geen rol. Zelfs als de opdrachtgever een grote deskundigheid heeft, moet de aannemer waarschuwen. Nadat echter de aansprakelijkheid van de aannemer is vastgesteld, kan de eventuele deskundigheid van de opdrachtgever wel een rol spelen bij het bepalen van de omvang van de door de aannemer te vergoeden schade. Gezien die deskundigheid, had de opdrachtgever zelf ook maatregelen kunnen nemen en,nu hij dat heeft nagelaten, moet hij zelf een deel van de schade dragen. Een soort van “eigen schuld”, dus.

De RvA heeft met betrekking tot deze rechtsvraag een wat andere benadering.
Op het (eerste) niveau van de vaststelling van de aansprakelijkheid kijkt de RvA juist niet primair naar de deskundigheid waarover de desbetreffende aannemer beschikt, maar kijkt zij ook naar de specifieke deskundigheid van de opdrachtgever. In ieder geval weegt zij deze deskundigheid mee als factor om (op het eerste niveau) aansprakelijkheid te kunnen vaststellen.

Zie ter bevestiging van het vorenstaande de uitspraak RvA 15 februari 2005, N0. 70.708. In deze zaak werd van belang geacht dat de opdrachtgever zich bij de verbouwing had laten bijstaan door een als deskundig bekend staand adviesbureau. Gelet op de deskundigheid van de opdrachtgever was naar de mening van de arbiters de onderzoeks- en informatieplicht juist omgekeerd. De opdrachtgever was degene die de aannemer moest waarschuwen voor de aanwezigheid van asbest. Overigens wordt een beroep van de aannemer op de deskundigheid van de opdrachtgever door de RvA niet gehonoreerd indien de aannemer een ernstig verwijt treft (RvA 11 juni 2004, No. 70.718).
Concluderend kan worden gezegd dat het niet noodzakelijk is dat de RvA en de Hoge Raad hetzelfde aankijken tegen rechtsprincipes als de onderhavige. Dat verschil van inzicht kan leiden tot verschillende uitkomsten.


Michel Visser is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bouwrecht

Waarschuwingsplicht van de aannemer