icon

Voorbereidingsprocedure en artikel 19-vrijstelling

In een eerdere bijdrage besprak ik de aanpassing van onder meer de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Woningwet aan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb. Deze procedure houdt in dat een ontwerp besluit ter visie wordt gelegd gedurende welke belanghebbenden een zienswijze kunnen indienen. Nadat het besluit is genomen, staat daartegen op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht niet de mogelijkheid van bezwaar maar van beroep bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open.

Hierbij geldt echter de argumentatieve fuik, die inhoudt dat uitsluitend degenen die een zienswijze hebben ingediend naar aanleiding van het ontwerp besluit ontvankelijk zijn in beroep en hoger beroep en uitsluitend de gronden die in de zienswijze zijn aangevoerd in beroep en hoger beroep kunnen worden aangevoerd. Andere personen zijn in beginsel niet ontvankelijk en andere gronden worden in beginsel buiten beschouwing gelaten.

Het was de vraag wat nu precies het gevolg zou zijn van deze wijziging voor de rechtsbescherming tegen een bouwvergunning verleend met behulp van een vrijstelling krachtens artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voor de bouwvergunning geldt namelijk de openbare voorbereidingsprocedure niet, zodat daarvoor gewoon bezwaar en vervolgens beroep de aangewezen weg is. Zou een actie tegen de vrijstelling nu separaat van de bouwvergunning een eigen procedurele weg volgen, derhalve zienswijze en vervolgens beroep met de hiervoor geschetste beperkingen ?

De wetgever heeft hierop bij de aanpassing aan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geen antwoord gegeven, en de meningen hierover waren en zijn verdeeld. Onder verwijzing naar artikel 49, lid 5 van de Woningwet kan worden gesteld dat er geen aparte procedurele weg wordt gevolgd. In dit artikel is namelijk bepaald dat voor de mogelijkheden van rechtsbescherming het vrijstellingsbesluit wordt geacht deel uit de maken van de bouwvergunning. De conclusie die daaraan wordt verbonden is dat tegen de vrijstelling een bezwaarschrift (en vervolgens) beroep kan worden ingediend net als tegen de bouwvergunning.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft onlangs echter anders besloten. Op grond van de overweging dat uit de wetteksten en de wetsgeschiedenis niet blijkt dat toepassing van artikel 49, lid 5, van de Woningwet met zich brengt dat artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing blijft, is het bezwaarschrift gericht tegen de vrijstelling niet ontvankelijk verklaard. Hiermee is een eerste voorlopig oordeel voorhanden.

Heeft u vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Voorbereidingsprocedure en artikel 19-vrijstelling