icon

Van wonen via short-stay-appartementen naar hotels in Amsterdam

Een aantal stadsdelen, waaronder stadsdeel Amsterdam-Centrum, heeft recent een handhavingsactie gericht op het bestrijden van illegale hotels uitgevoerd. Bij hotels wordt – vanzelfsprekend – in de eerste plaats gedacht aan het verhuur van hotelkamers, die kunnen worden bereikt via een gezamenlijke entree en waarbij in de regel door middel van een receptie service wordt verleend. De handhavingsactie van de stadsdelen ging verder. Verschillende gemeubileerde appartementen die voor een relatief korte termijn werden verhuurd moesten het namelijk ook ontgelden. Dit, ondanks het feit dat het hierbij overduidelijk niet om hotels ging als hiervoor beschreven, dus met receptie, roomservice e.d. Het gebruik door de huurder onderscheidde zich in feite ook niet van normale bewoning, er was bijvoorbeeld een volledig ingerichte keuken waarin de bewoner zelf zijn maaltijden kon bereiden. Het enige onderscheid was dat de bewoning van korte duur was.

De primaire grondslag van de stadsdelen om ook ten aanzien van deze appartementen op te treden vormde het bestemmingsplan. Heeft een gebouw bijvoorbeeld de bestemming “wonen”, dan is een exploitatie als “hotel” vrijwel altijd niet toegestaan. Maar ook de tussenvorm van verhuur als short-stay-appartement, waar men in beginsel langer verblijft dan in een hotel, is dan niet toegestaan, aldus het stadsdeel. En wel omdat er volgens het huidige beleid van het stadsdeel pas sprake is van wonen indien het (onder andere) om een verblijf van minimaal zes maanden gaat.
Anders gezegd, zodra appartementen met in het bestemmingsplan de bestemming “wonen” voor de duur van minder dan zes maanden te huur worden aangeboden, is er sprake van een hotel en dus van strijd met het bestemmingsplan. Het stadsdeel ziet dan aanleiding om op te treden. Bestemmingsplannen kennen geen specifieke regeling voor short-stay-appartementen, die ook voor een kortere periode dan zes maanden aan bijvoorbeeld expats worden aangeboden. Hierdoor lijkt deze gebruiksvorm buiten de boot te vallen.

Vanuit de gemeenteraad is, mede naar aanleiding van een brandbrief van de Verenigde Samenwerkende Accommodatie Bedrijven, aan Burgemeester en Wethouders de vraag voorgelegd hoe zij tegen deze ontwikkelingen aankijken. In een schriftelijke reactie geven Burgemeester en Wethouders aan dat zij – gelet op het belang van de beschikbaarheid van aantrekkelijke tijdelijke woonruimte in de stad voor werknemers van buitenlandse bedrijven – het stadsdeel zal verzoeken een termijn van twee in plaats van zes maanden aan te houden. Het stadsdeel Amsterdam-Centrum zal worden verzocht om bij de vaststelling van de Nota Verblijfsinrichtingen het economisch belang van short-stay-appartementen (vanaf twee maanden) zwaar te laten wegen. Vooruitlopend op nieuw beleid binnen de stadsdelen, worden de stadsdelen voorts gevraagd om geen handhavingsacties te ondernemen richting partijen die voor een periode van langer dan twee maanden verhuren. Op 7 september 2006 zal deze schriftelijke reactie van Burgemeester en Wethouders in de gemeenteraad worden behandeld.

Daarnaast zijn nu de ogen gericht op de stadsdelen zelf, en dan met name het stadsdeel Amsterdam-Centrum. Hoe gaan zij hier, onder andere in het kader van bestemmingsplannen, mee om? Wordt het begrip “wonen” anders geïnterpreteerd, worden de bestemmingsplannen uitgebreid met een specifieke gebruiksbepaling voor short-stay-appartementen, of wordt de verhuur als short-stay-appartement binnen andere bestemmingen toegestaan?


Femke van Ooijen is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Van wonen via short-stay-appartementen naar hotels in Amsterdam