icon

Vrouwen met broeken, gelijkheid en de vrijheid van onderwijs

Het was een populair onderwerp in de roerige tijden na de moord op Theo van Gogh. De vrijheid van onderwijs, waaraan gekoppeld de vrijheid om onderwijs aan te bieden op bijzondere – meestal religieuze – grondslag, werd nadrukkelijk ter sprake gesteld omdat islamitische scholen kunnen ontstaan. En op die islamitische scholen zou dan weer het risico op het uitdragen van haatdragende ideëen aanzienlijk zijn. Volgens sommigen voldoende reden om, in weerwil van artikel 23 Grondwet, islamitische scholen te verbieden. Daarbij werd gemakshalve vergeten dat men niet enerzijds islamitische scholen kan verbieden, terwijl anderzijds protestantse, katholieke en gereformeerde scholen wel kunnen blijven bestaan. Het verbod op ongelijke behandeling is kennelijk niet van waarde als het islamitische scholen betreft.

Waartoe artikel 23 Grondwet kan leiden, laat de volgende uitspraak van de Voorzieningenrechter te Utrecht zien. T. wilde onderwijs genieten op het Hoornbeeck College te Amersfoort. Dit college biedt onderwijs op gereformeerde grondslag. Die gereformeerde grondslag is ook vastgelegd in de statuten van de school, die de Statenvertaling van de Bijbel aanwijst als de enige getrouwe overzetting van de oorspronkelijke Bijbelse talen. In de informatiegids van de school wordt hierop een toelichting gegeven. Leerlingen kunnen uitsluitend worden toegelaten tot het Hoornbeeck College als zowel de ouders als de leerling de doelstellingen en uitgangspunten van de school onderschrijven. De ouders moeten een Identiteitsverklaring ondertekenen, waarin dit wordt bevestigd. Die Identiteitsverklaring bevat onder meer de stelling dat TV en open internet worden veroordeeld vanwege het Godonterend en mensverwoestend karakter, dat Bijbelse gezagsverhoudingen leidend zijn voor de medezeggenschap in de school en dat kleding, haardracht en overige persoonlijke uitingen zodanig zijn dat het Bijbels onderscheid tussen man en vrouw wordt bewaard.

De ouders hadden op de Identiteitsverklaring aangegeven dat zij wel een TV en open internet hebben, doch daarvan slechts zeer sporadisch gebruik maakten en dat inmiddels een Solcon-filter was aangebracht op de internet-verbinding. De ouders respecteerden de visie op de medezeggenschap in de school, maar hebben daar persoonlijk een andere mening over. Daarnaast droeg de zus van de leerling wel eens een broek. Tot slot, hebben de ouders aangegeven dat voor hun de Statenvertaling leidend is maar dat zij ook wel eens andere bijbelvertalingen gebruiken. Dit is voor de school reden geweest om de inschrijving te weigeren. De toelatingscommissie was van mening dat dat de opvattingen van de ouders en die van het bestuur van de school over een aantal onderwerpen te ver uiteenlopen, die van zodanige aard zijn dat zij van wezenlijk belang worden geacht voor de identiteit van de school.

Dit standpunt wordt door de Voorzieningenrechter gedekt. Volgens de Voorzieningenrechter mag de school een toelatingsbeleid voeren dat is gebaseerd op de eigen uitleg van haar statuten. Volgens de ouders was er slechts sprake van accentverschillen, maar juist de vraag of het accentverschillen betreft of dat er sprake is van wezenlijke kenmerken, moet worden uitgelegd volgens de eigen interpretatie van de school. Volgens de Voorzieningenrechter geldt dus niet een objectieve maatstaf, maar kan een subjectieve toets volstaan. En volgens de Voorzieningenrechter kan men niet zeggen dat het bestuur besluit niet in redelijkheid heeft kunnen nemen.

Ik vraag mij echter af of deze uitspraak houdbaar is. De Voorzieningenrechter geeft zelf al aan dat het feit dat de ouders een TV hebben en een (inmiddels Solcon-gefilterde) internet-verbinding, niet mag leiden tot afwijzing van de inschrijving. Er zijn immers ook andere leerlingen en zelfs leerkrachten die ook een TV of internet hebben. De Voorzieningenrechter geeft ook aan dat er geen sprake is van een theologisch verschil van inzicht tussen de ouders en het bestuur van de school. Ook het gebruik van andere bijbelvertalingen kan niet gelden als grondslag voor de weigering, omdat de ouders wel de Statenvertaling als leidend aanvaarden en de Identiteitsverklaring niet het gebruik van andere vertalingen expliciet verbiedt. Maar wat blijft er dan over ? Een afwijkende mening over de medezeggenschap en een zus die wel eens een broek draagt.

Over de zus-die-wel-eens-een-broek-draagt, wil ik het niet hebben. Het standpunt van de ouders over de medezeggenschap is echter in overeenstemming met de wet. De school had zelfs een bijzondere ontheffing gekregen om met betrekking tot de medezeggenschap een afwijkend regime te mogen volgen. Ik vind het nogal kort door de bocht, als men een leerling mag weigeren omdat zijn ouders het wettelijke standpunt onderschrijven. Ik vraag mij overigens af of scholen die een afwijkende medezeggenschapsregeling hebben (lees: waar vrouwen geen officiële inspraak hebben en mannen beslissen), wel in aanmerking kunnen komen voor overheidssubsidie. Men kan op dit punt immers dezelfde redering volgen als eerder de rechter deed toen hij de subsidie voor de SGP beëindigde omdat deze partij vrouwen uitsloot van politieke deelname (klik hier). Dat werd in strijd geacht met artikel 7 van het Vrouwenverdrag. Datzelfde Vrouwenverdrag geeft in artikel 10 de plicht om vrouwen “op alle niveaus” in het onderwijs gelijk te behandelen. Een leuk proefproces voor het Proefprocessenfonds Clara Wichmann ?


Jonathan Barth is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Vrouwen met broeken, gelijkheid en de vrijheid van onderwijs