icon

Golfclubs, horeca en bedrijfsruimte

De huurders van woonruimte zijn goed beschermd in Nederland. De huurder van bedrijfsruimte geniet echter ook een behoorlijke bescherming. Welke bescherming de huurder geniet, is afhankelijk van het soort bedrijfsruimte dat wordt gehuurd. Zo dient een onderscheid te worden gemaakt naar de artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte en de overige bedrijfsruimte.

Wanneer is nu sprake van een 7:290-bedrijfsruimte? Grof gezegd kan het volgende onderscheid worden gemaakt:
A. een onroerende zaak die bestemd is voor de uitoefening van een klein handelsbedrijf, een restaurant of café bedrijf, een afhaal- of besteldienst of een ambachtsbedrijf. Eén en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is, of
B. een onroerende zaak die bestemd is voor de uitoefening van een hotelbedrijf, of
C. een onroerende zaak die bestemd is voor de uitoefening van een kampeerbedrijf.

Dit lijkt een gemakkelijk toe te passen bepaling. In de praktijk blijkt dit soms echter anders te zijn.

Een goed voorbeeld daarvan is een uitspraak van Rechtbank Den Haag waar het een clubhuis van een golfvereniging betrof met daarin een bar of restaurant. De huurovereenkomst van de bedrijfsruimte van de golfclub werd opgezegd en partijen waren het oneens over de vraag welke regels nu van toepassing waren, met name nu de bedrijfsruimte de kenmerken van horeca vertoont.

De rechter oordeelde echter dat er geen sprake was van 7:290-bedrijfsruimte, maar van “overige” bedrijfsruimte. Het ging fout op het punt waar, voor het zijn van 7:290-bedrijfsruimte, sprake diende te zijn van een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening. De rechter oordeelde dat dit hier niet het geval was. De toegang tot het clubhuis was namelijk beperkt tot leden van de vereniging, hun introducés, gebruikers van de “driving range” en “green fee”-spelers. Van een openstelling van het clubhuis voor iedere willekeurig passerende derde was derhalve geen sprake en dit was blijkens de onderhavige huurovereenkomst kennelijk ook niet de bedoeling van partijen.

Indien geen sprake is van 7:290-bedrijfsruimte kan de huurovereenkomst in beginsel sneller worden beëindigd. Desalniettemin is er voor de “overige” bedrijfsruimte nog de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a BW. In een latere bijdrage zullen wij de (on)mogelijkheden van deze vorm van huurbescherming nader bespreken.


Michel Visser is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Golfclubs, horeca en bedrijfsruimte