icon

Handhaving publicatieplicht laat te wensen over

Alle vennootschappen die hun zetel binnen de Nederlandse grenzen hebben zijn op grond van artikel 2:394 BW verplicht hun jaarrekening te publiceren bij de Kamer van Koophandel. Deze publicatieplicht dient er onder andere toe de externe belanghebbenden, zoals crediteuren, inzicht te geven in de financiële toestand van een onderneming.

Op grond van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek is een vennootschap gehouden om binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening op te stellen (artikel 2:101/ 2:210 BW), behoudens nadere voorschriften van bijvoorbeeld toezichthouders. De termijn van vijf maanden kan door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden verlengd worden. Nadat de jaarrekening is opgesteld moet deze worden vastgesteld door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (en waar van toepassing worden goedgekeurd door de Raad van Commissarissen). Na vaststelling moet de jaarrekening binnen acht dagen openbaar worden gemaakt bij de Kamer van Koophandel.

Wanneer de jaarrekening niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken voorgeschreven termijn overeenkomstig de wettelijke voorschriften is vastgesteld, dan is het bestuur van een vennootschap verplicht onverwijld tot openbaarmaking van de jaarrekening over te gaan (2:394 lid 2 BW). Uitgaande van een eerste termijn van vijf maanden na einde boekjaar voor het opstellen van de jaarrekening, welke verlengd kan worden met maximaal zes maanden, moet de jaarrekening dus uiterlijk binnen 13 maanden na einde boekjaar openbaar gemaakt zijn. Dit is ook de termijn die expliciet wordt genoemd in artikel 2:394 lid 3 BW.

In de praktijk leidt dit er dikwijls toe dat veel jaarrekeningen worden gepubliceerd die nog niet zijn vastgesteld. Een goede reden voor de publicatie van een nog niet vastgestelde jaarrekening en daarmee voldoen aan de voorschriften van artikel 2:394 BW, is om de kans op een beschuldiging van onbehoorlijk bestuur in geval van faillissement te voorkomen, of in elk geval verkleinen.

Artikel 2:248 BW bepaalt namelijk dat iedere bestuurder van een vennootschap – behoudens tegenbewijs o.g.v. 2:248 lid 3 BW – hoofdelijk aansprakelijk is voor een boedeltekort in het faillissement, indien die bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (lid 1). Artikel 2:248 lid 2 BW bepaalt dat indien een bestuurder niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW, vaststaat dat hij zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (lid 2).

Nu lijken veel bestuurders zich vooralsnog niet te laten afschrikken door dergelijke zware gevolgen van het niet voldoen aan de publicatieplicht. Uit recent onderzoek is gebleken dat een groot aantal ondernemingen – het onderzoek spreekt niet expliciet over vennootschappen – de verplichtingen aan zijn laars lapt. Slechts 70% van de Nederlandse ondernemingen deponeert zijn jaarstukken binnen de termijn van 13 maanden. Tegen de tijd dat er 24 maanden verstreken zijn heeft nog altijd maar 90% van de ondernemingen aan de publicatieplicht voldaan. De overige 10% is niet in staat binnen die 24 maanden een, al of niet vastgestelde, jaarrekening te publiceren of weigert simpelweg aan de verplichting te voldoen, om wat voor reden dan ook.

Een aantal grote niet-beursgenoteerde ondernemingen is zelfs gestopt met de publicatie van jaarrekeningen, met name uit concurrentieoverwegingen. Zij willen niet dat de concurrent (teveel) inzicht heeft in de financiële toestand van de betreffende onderneming. Dat deze weigering tot publicatie kan leiden tot oplegging van een boete van ten minste € 16.750 nemen deze ondernemingen op de koop toe. Dit zal niet in de laatste plaats zijn omdat de kans dat het daadwerkelijk zover komt vooralsnog verwaarloosbaar klein is, 1% – 2%. Daarbij gaan aan de oplegging van een boete door de rechter nog de nodige waarschuwingen door de Kamer van Koophandel en de FIOD-ECD en een proces-verbaal van de laatste vooraf.

Overigens blijkt wanneer een vergelijking wordt gemaakt met sommige landen om ons heen men daar nog harder bezig is de regels aan de laars te lappen. Zo voldoet in België slechts 55% van de ondernemingen tijdig aan de publicatieplicht en in Frankrijk, landelijk gezien, niet meer dan 50%. Duitse ondernemers blijken in dit opzicht het minst “gründlich”; van hen voldoet slechts een kwart tijdig aan de publicatieplicht.

Hoe anders is dat in Groot-Brittanië en Denemarken. Hier voldoet maar liefst 85% respectievelijk 87% van de ondernemingen tijdig aan de publicatieplicht. Volgens de onderzoekers is een van de redenen hiervoor dat aan het niet of te laat publiceren van de jaarrekening in die landen een bestuurlijke boete is verbonden. Niet of niet tijdig publiceren betekent dus automatisch een boete betalen. In Denemarken komt daar nog de mogelijkheid van een bestuursrechtelijke dwangsom bij.

In Groot-Brittanië en Denemarken is de pakkans dus veel groter. Ook de mogelijkheden om bestuurders aan te pakken en ondernemingen van overheidswege op te heffen zijn daar eenvoudiger geregeld. Dat laatste is ook in Nederland mogelijk maar daarvoor is méér vereist dan alleen het niet publiceren van jaarrekeningen.

Dat handhaving van de (wettelijke) publicatietermijnen geen prioriteit heeft bij Justitie moge duidelijk zijn. Maar misschien wordt het, gezien de bedroevende cijfers, tijd voor een aanpak van deze problematiek op Europees niveau. Uiteraard naar Deens danwel Brits model.


Dennis Kulk is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied vennootschapsrecht

Handhaving publicatieplicht laat te wensen over