icon

Al het goeie … (2)

Inmiddels is de uitspraak van de Voorzieningenrechter te Den Bosch in de “Peer-Mascini-in-3D-met-koeien” -zaak gepubliceerd. Zoals ik in de update bij het vorige artikel al meldde, heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld dat de commercial met de “jakkoezzie” niet mocht worden uitgezonden. Nu weten we ook waarom.

Het auteursrecht heeft in het oordeel van de Voorzieningenrechter opvallend genoeg geen rol gespeeld. Daar was een simpele reden voor: de rechter was er eenvoudigweg niet van overtuigd dat de eisende Campina-dochter daadwerkelijk over het auteursrecht op de Melkunie-reclame beschikte. Er was wel een akte van auteursrechtoverdracht, maar (in de woorden van de Voorzieningenrechter): “De “Akte van levering van auteursrecht” dateert van enkele dagen geleden en een titel voor deze levering is duister.”
De rechter heeft daarom geheel van de auteursrechtelijke aspecten van deze zaak afgezien en kwam zodoende ook niet toe aan het beroep van de Beemster kaasmakers op de parodie-exceptie, waar ik in de vorige bijdrage over schreef. Jammer!

De rechter kwam echter toch tot een verbod. Dat kon omdat Campina voor meerdere ankers was gaan liggen. Zij deed ook een beroep op het leerstuk van de misleidende en/of vergelijkende reclame. En terecht, volgens de Voorzieningenrechter: “Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit geval sprake van vergelijkende reclame. Dat de associatie – en wel meteen aan het begin van de televisiecommercial van Cono – wordt gelegd met de eerdere reclamecampagne van Melkunie is met de woorden ‘Ik ben mijn broer, ik ben van de kaas’, hoe geestig ook, duidelijk het geval. In de televisiecommercial van Cono wordt Beemsterkaas impliciet als opvolger van zuivelproducten van Melkunie naar voren gebracht. Dit terwijl Campina als rechtsopvolgster van Melkunie met succes in een kostbare reclamecampagne de overgang van Melkunie naar Campina in de markt heeft gezet.”

Vergelijkende reclame mag alleen onder strikte voorwaarden plaatsvinden. Met name mag deze niet misleidend zijn. Volgens de rechter was de onderhavige reclame dat wél:
“De voorzieningenrechter is van oordeel dat de televisiecommercial van Cono een kopie van de eerdere reclamecampagne van Melkunie is, hetgeen ertoe leidt dat bij het publiek verwarring ontstaat dat Beemsterkaas van Campina afkomstig is. Dat is onrechtmatig in de zin van boek 6, titel 3, afdeling 3 BW over misleidende en vergelijkende reclame.”

Tja, en dan helpt de parodie-exceptie niet meer…
Toch kun je bij de uitspraak de nodige vraagtekens plaatsen. Want wordt er nu wel echt vergeleken in de zin van de bepalingen over vergelijkende reclame? Toegegeven, een vergelijking mag gezien het bepaalde in artikel 6:194 BW ook impliciet zijn, maar ik zie hier helemaal geen vergelijking, hooguit “aanhaken”. Dat stukje van het oordeel is dus betwistbaar.
Of de Beemster kaasmakers daar wat mee opschieten is vervolgens iets anders; ook op basis van misleidende reclame alléén had Campina het kunnen redden. Misleiding is namelijk ook in niet-vergelijkende reclames verboden en kan volgens artikel 6:194 BW bijvoorbeeld ook plaatsvinden ten aanzien van de herkomst van het product. áls men dan vindt dat de Beemster reclame te dicht tegen de Melkunie reclame aan zit, dan zou ik het gewoon op dat herkomst-verhaal hebben gegooid en verder niet over vergelijking hebben gesproken.

Al het goeie … (2)