icon

Mag een christelijke school een homoseksuele leerkracht weigeren?

De Commissie Gelijke Behandeling heeft recent een uitspraak gedaan over het toelatingsbeleid van een middelbare school op evangelische grondslag ten aanzien van homoseksuele leerkrachten. In een persuiting had de school het volgende verklaard: “Ook aan leerkrachten worden bijzondere eisen gesteld. Homoseksualiteit strookt niet met de uitgangspunten van de school; openlijk homoseksuele leerkrachten zult u hier niet aantreffen.” De Stichting Meldpunt Discriminatie Amsterdam legde deze uitspraak voor aan de CGB, omdat naar het oordeel van die stichting direct onderscheid werd gemaakt op grond van seksuele geaardheid.

De discussie die ten overstaan van de CGB volgde was om meerdere redenen wat “schimmig”, deels omdat de regelgeving over deze onderwerpen weinig helder lijkt (ze zijn overduidelijk het resultaat van geschipper tussen waarborgen tegen discriminatie enerzijds, en vrijheid van onderwijs en godsdienst anderzijds, nu deze vormen van discriminatie altijd uit die hoek komen), en deels omdat het hier natuurlijk om een hypothetisch geval ging: er was geen sprake van een concrete situatie waarbij iemand vanwege zijn of haar seksuele geaardheid was ontslagen, of niet was aangenomen.

De school probeerde te betogen dat van directie discriminatie geen sprake was, omdat homoseksualiteit op zich geen criterium zou zijn voor het wel of niet aannemen van een leerkracht. Dat overtuigde de CGB (terecht) niet: de uitingen waren ondubbelzinnig en was dus – directe – discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. Omdat de school stelde dat de uiteindelijke beslissing tot het wel of niet aannemen van een leerkracht het resultaat was van de weging van veel meer factoren, adviseerde de CGB de school om beleid te formuleren over het aannemen van leerkrachten, en dat beleid nog eens door de CGB te laten toetsen, al dan niet in een concrete situatie.

Opmerkelijk (maar niet nieuw) is dat de uitspraak de mogelijkheid lijkt te bieden om bij het aannemen van leerkrachten (of ander personeel) wel degelijk direct onderscheid te maken naar seksuele geaardheid. Dat gebeurt door de toepassing van het criterium van de “noodzaak” van de discriminatie: als die noodzakelijk is voor (in dit geval) het verwezenlijken van de (godsdienstige) grondslag van de school. Nu in dit geval de school geen inzicht kon geven over het totale aannamebeleid kon niet worden vastgesteld dat de discriminatie was toegestaan, maar die mogelijkheid bestaat nog wel. De wetsgeschiedenis van het verbod op discriminatie naar seksuele geaardheid maakt het er daarbij niet eenvoudiger op: het enkele feit van homoseksualiteit (waaronder het hebben van een relatie!) mag geen grond zijn voor het niet aannemen, maar er zouden omstandigheden kunnen zijn waaronder geoordeeld zou moeten worden dat een homoseksuele leraar de grondslagen van de school niet meer onderschrijft, en dan zou hij of zij wél weer mogen worden uitgesloten.

Opmerkelijk daarbij is bovendien dat die “noodzaak” op geen enkele manier objectief wordt getoetst. De school zegt dat een en ander volgt uit haar godsdienstige grondslag, en de CGB neemt dat aan, terwijl die commissie overweegt dat de school het standpunt niet eens uitlegt. Dat lijkt op zich nogal een uitholling van het begrip “noodzakelijk”: iets is noodzakelijk als (in dit geval) de school stelt dat het noodzakelijk is. De enige toets is of de school daar consistent in is, wat naar mijn mening toch iets anders is dan “noodzakelijk”. Het zal interessant zijn de beleidsregels van de school te zijner tijd te lezen – als die ooit nog worden voorgelegd aan de CGB.


Arco Siemons is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied arbeidsrecht

Mag een christelijke school een homoseksuele leerkracht weigeren?