icon

Immateriële schadevergoeding bij ontbinding

Een onderwerp dat in deze weblog tot nu toe onbesproken is gebleven is de mogelijkheid tot het toekennen, bij het ontbinden van een arbeidsovereenkomst, van een immateriële schadevergoeding. Het komt dan ook niet vaak voor.
Normaliter wordt in een ontbindingsprocedure een ontbindingsvergoeding toegekend, maar dat is in principe géén schadevergoeding; de hoogte van de vergoeding strekt niet (direct) tot vergoeding van te lijden schade, maar is een vergoeding “naar billijkheid”. Daarnaast kan onder omstandigheden ruimte zijn voor een vergoeding van daadwerkelijk door een werknemer geleden schade. Wanneer dit zogenaamde reputatieschade is, is sprake van immateriële schade; de vergoeding daarvan wordt ook wel “smartengeld” genoemd. Juist omdat in die vergoeding een component zit (de “correctiefactor”) die ziet op het corrigeren van slecht werkgever of -nemerschap is voor een aparte vergoeding terzake niet vaak aanleiding.
Een zaak waarin dat wel het geval was is recent behandeld door de kantonrechter te Dordrecht.

Het betrof een werknemer die meer dan tien jaar lang wereldwijd werkzaamheden had verricht voor zijn werkgever. In juni 2007 werd hij plots geschorst vanwege een gerucht dat hij seksuele contacten met minderjarigen zou hebben gehad tijdens zijn internationale uitzendingen. De werkgever liet zelfs na de werknemer van deze schorsing op de hoogte te stellen, laat staan dat hij in de gelegenheid werd gesteld zijn kant van het verhaal te vertellen.
De eigenaar van het hotel waar de werknemer verbleef had per email de werkgever verteld dat er andere personen in de hotelkamer van de werknemer hadden geslapen waarvan er één “de indruk gaf minderjarig te zijn”. Volgens de werknemer had hij eenvoudigweg bezoek gehad van (achtereenvolgens) zijn ex echtgenote en van zijn vriendin, met hun kinderen.

Toen de werknemer in augustus 2007 tóch weer werd opgeroepen om naar een Afrikaans land te worden uitgezonden – kennelijk had de werkgever inmiddels vastgesteld dat er onvoldoende grond was voor de verdenking – verzocht de werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat de werkgever volgens hem ernstig tekort was geschoten en hem van ernstige – strafbare – feiten had beschuldigd en geschorst zonder enige onderbouwing, en zonder hem te horen en de kans te geven zich te verweren. De kantonrechter was het met de werknemer eens en wees het ontbindingsverzoek van de werknemer toe, met een vergoeding van meer dan een ton.
Daarnáást kent de kantonrechter de werknemer een immateriële schadevergoeding toe van € 10.000,- vanwege de aantasting van de eer en goede naam en het door de werknemer ondergane (geestelijk) leed. Dat de werknemer, zoals de werkgever aanvoerde “de schijn tegen had” mocht uiteraard niet baten nu de werkgever de werknemer niet de kans had gegeven om die schijn weg te nemen.

Een immateriële schadevergoeding is in principe netto, anders dan over een “reguliere” ontbindingsvergoeding is daarover geen belasting verschuldigd. Het is overigens nog maar de vraag of de fiscus de uitspraak van de kantonrechter over de aard van de schadevergoeding respecteert. De fiscus is namelijk geheel vrij om zelf te bepalen of het niet toch een vorm van een ontbindingsvergoeding is en ook zo belast zal moeten worden, en doet dit nogal eens.


Benjamin van Leeuwen is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied arbeidsrecht

Immateriële schadevergoeding bij ontbinding