icon

Architect en bestemmingsplan II

In een tweede uitspraak over de architect en het bestemmingsplan, was opdracht verstrekt aan de architect tot het verzorgen van een massastudie ten behoeve van een uitbreiding op het eigen terrein van de opdrachtgeefster. Uiteindelijk presenteert de architect drie varianten waarbij de derde variant het dubbele aantal vierkante meters genereert. Als de architect voor deze laatste variant een bouwvergunning aanvraagt blijkt dat een bouwwerk met deze omvang niet in het vigerende bestemmingsplan past, waardoor de aanvraag wordt afgewezen. De opdrachtgeefster zegt de overeenkomst op en stelt de architect aansprakelijk voor de schade die zij lijdt als gevolg van de onjuiste advisering.

De opdrachtgeefster stelt bij de arbiter dat de architect een verwijtbare fout heeft gemaakt door geen rekening te houden met het maximale aantal vierkante meters kantoorruimte die in het bestemmingsplan waren bestemd. Hij heeft in strijd gehandeld met artikel 11 lid 4 SR 1997, waarin staat dat de architect rekening moet houden met publiekrechtelijke voorschriften. Daarnaast moet de architect ook rekening houden met de eisen die voortvloeien uit bijzondere publiekrechtelijke voorschriften, zoals het bestemmingsplan en de bouwverordening.

Het standpunt van de architect is dat hij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht door het bestemmingsplan te bestuderen en door intensief overleg te hebben gehad met de betrokken ambtenaren van de gemeente, waarbij deze hem hebben meegedeeld dat het bestemmingsplan “niet te strikt moest worden geïnterpreteerd”. Daarnaast heeft hij de gemeente gevraagd per brief om hem te waarschuwen als het ontwerp strijdig zou zijn met het bestemmingsplan en een artikel 19 Wro vrijstelling noodzakelijk zou zijn.

De arbiters stellen vast dat reeds bij oppervlakkige bestudering van het bestemmingsplan duidelijk was dat de maximale bestemde kantoorruimte werd overschreden in de derde variant. Hij had in het kader van de massastudie dan ook zijn opdrachtgeefster op de hoogte moeten stellen van de beperkingen in het bestemmingsplan. Door dit na te laten en met die beperking geen rekening te houden in zijn ontwerp heeft de architect een verwijtbare fout gemaakt en is dientengevolge aansprakelijk.

De arbiters motiveren waarom de standpunten van de architect hem niet kunnen verontschuldigen voor zijn verwijtbare fout. Zo mocht de architect er niet op vertrouwen dat de gemeenteambtenaar met zijn opmerking dat het bestemmingsplan niet te strikt hoefde te worden geïnterpreteerd, een overschrijding van 60% zou toestaan. In elk geval had de architect zich dienen te realiseren dat de een artikel 19 Wro-procedure noodzakelijk was voor de verkrijging van een bouwvergunning. Ook het argument dat de gemeente hem niet heeft gewezen op de strijdigheid van zijn ontwerp met het bestemmingsplan snijdt geen hout, omdat het naleven van het bestemmingsplan in het ontwerp de verantwoordelijkheid blijft van de architect.

Wij hebben vandaag twee tegengestelde uitspraken beschreven over de taak van de architect en de rol van gemeente bij het toetsen van het ontwerp aan het bestemmingsplan. Het devies blijft voor de architect dat hij zelf moet controleren of zijn ontwerp past binnen het vigerende bestemmingsplan. Indien het ontwerp daarin niet past, moet de architect de opdrachtgever daarvan snel en uitvoerig op de hoogte stellen van de (mogelijke) gevolgen, zoals het vragen van een vrijstelling die waarschijnlijk de nodige vertraging zal opleveren.


Stephanie Mekking is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bouwrecht

Architect en bestemmingsplan II