icon

Europese procedure voor geringe vorderingen in aantocht

Zoals eerder aangegeven in onze weblogs, is de EU hard op weg met het invoeren van geüniformeerde Europese procedures, zoals onder meer voor het betalingsbevel. Bij dit proces is ook een start gemaakt met het nemen van maatregelen ter vereenvoudiging en bespoediging van de procesvoering voor geringe vorderingen in Europa.

Grensoverschrijdend procederen blijkt namelijk vaak gecompliceerd, tijdrovend en kostbaar, terwijl de waarde van de vorderingen relatief gering is, zoals bijvoorbeeld bij een geschil over goederen die in een andere lidstaat zijn gekocht en achteraf gebrekkig blijken te zijn of een hoteleigenaar die met een onbetaalde rekening blijft zitten.

Voor deze kleine vorderingen is op 11 juli 2007 de EG-Verordening “tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen” tot stand gekomen. Deze verordening zal in werking treden op 1 januari 2009. Naar aanleiding hiervan heeft de Minister van Justitie een wetsvoorstel gepresenteerd op 15 september 2008 ter uitvoering van deze verordening in Nederland.

Het doel van de verordening is de procesvoering voor geringe vorderingen in grensoverschrijdende zaken te vereenvoudigen en te bespoedigen. Daarnaast is het doel om de kosten van zo'n procedure te verminderen. Een in deze procedure gegeven beslissing wordt zonder tussenmaatregelen in de andere lidstaten erkend en ten uitvoer gelegd. Dit betekent dat een beslissing, evenals het Europese Betalingsbevel, een Europese titel is die in de gehele EU executabel is.

Voorwaarde voor het mogen voeren van deze procedure is dat het gaat om geringe grensoverschrijdende vorderingen in burgerlijke en handelszaken die een bedrag van € 2000,= exclusief rente en kosten niet te boven gaan.

Overigens is deze procedure slechts een alternatief naast de bestaande procedures binnen de stelsels van nationaal recht in Europa. Een Europese (niet-Nederlandse) schuldeiser met een Nederlandse schuldenaar kan dus kiezen of hij gebruik zal maken van de nieue Europese procedure of de gewone dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter.

De vereenvoudiging van deze procedure zit in het volgende.

De procedure is in beginsel schriftelijk. Er zijn (meertalige) standaardformulieren vastgesteld voor de eisers, verweerders en gerecht. Alleen de verweerders kunnen kiezen of zij van dit formulier gebruik maken. De eisers en het gerecht zijn daartoe verplicht.

De bijlagen van de verordening bevatten deze modelformulieren, bestaande uit een vorderingsformulier (A), een formulier ter aanvulling of correctie hiervan (B), een antwoordformulier (C) en een certificaat van de beslissing ten behoeve van de tenuitvoerlegging (D). Deze formulieren zijn zeer gebruiksvriendelijk: waar mogelijk is met gesloten vragen gewerkt waarbij een antwoord kan worden aangekruist. De schuldeiser hoeft geen uitgebreide juridische onderbouwing van zijn vordering te geven.

De rechter beslist na ontvangst van het antwoord van de verweerder of nadat die zijn termijn ongebruikt voorbij heeft laten gaan. Alleen als er aanvullende informatie nodig is vraagt de rechter om extra bewijsstukken of wordt er een zitting gehouden. Er gelden korte termijnen van dertig dagen voor eiser, verweerder en het gerecht. De verweerder kan een tegenvordering indienen. Verder geldt er geen verplichte procesvertegenwoordiging; een advocaat is dus niet nodig.

Voorts is in de Nederlandse uitvoeringswet van de verordening bepaald dat in Nederland de kantonrechter bevoegd is om deze zaken te behandelen en te beslissen. Tegen de beslissing staat geen hoger beroep open.

Volgens de zogenaamde nota naar aanleiding van het verslag heeft de wetgever hiervoor gekozen, omdat het praktisch gezien aansluit bij het uitsluiten van hoger beroep voor vorderingen van minder dan € 1.750,= en het hier vorderingen betreft met een maximumbedrag van € 2000,= , welk bedrag slechts € 250 hoger is.

De verordening voorziet wel in de mogelijkheid van het doen van een verzoek tot heroverweging aan de kantonrechter. Dit verzoek is aan voorwaarden gebonden. De verweerder kan een verzoek indienen als hij zich onvoldoende heeft kunnen verweren tegen de vordering, doordat:

1. het vorderingsformulier of de oproeping voor de zitting zonder bewijs van persoonlijke ontvangst is betekend, of
2. de betekening niet zo tijdig is geweest als met het oog op de verdediging nodig was (uiteraard buiten de schuld van de verweerder), of
3. als de verweerder de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of buitengewone omstandigheden.

Het verzoek tot heroverweging moet volgens de verordening “onverwijld” worden gedaan. In Nederland is daaraan een termijn van vier weken gekoppeld. Dat heeft onze wetgever gedaan om aan te sluiten bij de termijn die geldt in de uitvoeringswet voor de verordening voor de Europese executoriale titel voor niet-betwiste geldvorderingen en de in Nederland geldende termijn voor verzet tegen een verstekvonnis.

Mocht er tussen nu en de inwerkingtreding van de verordening nog een belangrijke wijziging voordoen, dan hoort u dat uiteraard van ons.


Stephanie Mekking is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied vennootschapsrecht

Europese procedure voor geringe vorderingen in aantocht