icon

Dringend eigen gebruik – woonruimte

Huurovereenkomsten zijn opzegbaar op de grond dat de verhuurder het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Hiervan kan uiteraard sprake zijn als de verhuurder het gehuurde wil bewonen, of het op andere wijze feitelijk in gebruik neemt. Er zijn echter ook situaties denkbaar waarin de verhuurder het gehuurde niet zelf wil gebruiken, maar aan een ander in gebruik zou willen geven dan de zittende huurder. Een voor de hand liggend voorbeeld hiervan is de ouder wiens kind op zichzelf gaat wonen en die het gehuurde daartoe aan het kind ter beschikking wil stellen. Kan in dit soort gevallen ook sprake zijn van eigen gebruik?

Volgens vaste jurisprudentie kan eigen gebruik ook bestaan als het gehuurde door een ander dan de verhuurder wordt gebruikt. De voorwaarde daarbij is dat daarmee een belang van de verhuurder wordt gediend. Wanneer dat zo is, valt echter niet aan de hand van standaard rechtspraak vast te stellen. De verhuurder zal moeten aantonen op welke manier hij erop vooruit gaat wanneer het gehuurde door de door hem aangewezen persoon wordt gebruikt.

In elk geval vloeit een belang van de verhuurder niet automatisch voort uit een directe familieband met de beoogde gebruiker. Dit lijkt wellicht vreemd. Een goed ouder bijvoorbeeld, zal zich de belangen van zijn kind doorgaans zo sterk aantrekken dat de belangen van ouder en kind zo goed als samenvallen. Hiertoe zal in de huidige markt allicht ook het belang bij woonruimte horen. Dit geldt zeker indien alternatieve woonruimte door het kind niet of nauwelijks te verkrijgen is en het gehuurde het kind in staat stelt in de buurt van opleiding of werk te kunnen wonen.

Die situatie is echter nog onvoldoende om te kunnen spreken van eigen gebruik door de verhuurder. Om te voldoen aan het criterium “dringend eigen gebruik” is nodig dat – in dit voorbeeld – de ouder zelf ook een concreet voordeel heeft bij bewoning van het gehuurde door het kind.

Aan dit criterium zou kunnen worden voldaan indien het familielid permanent verzorging nodig heeft, de verhuurder deze wenst te verschaffen en het gehuurde nabij zijn eigen woning ligt. De verhuurder heeft hier een duidelijk “eigen” belang: de verzorging van het familielied wordt hierdoor makkelijker en goedkoper doordat hij minder ver hoeft te reizen.

Per situatie zal dus moeten worden beoordeeld of de verhuurder er zelf enig objectief voordeel bij heeft om het gehuurde aan een nieuwe huurder te verstrekken, om zo te kunnen voldoen aan het criterium “dringend eigen gebruik”.


Koen van den Berg is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Dringend eigen gebruik – woonruimte