icon

De misleide maatmens

Op 27 november 2009 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de bekende World Online-zaak (ook wel “ WOL-zaak”). Een van de speerpunten in dit arrest is de vraag of World Online en de banken die bij de beursintroductie van World Online optraden door onjuiste en/of onvolledige informatie te geven onrechtmatig hebben gehandeld jegens beleggers in aandelen World Online.

Een ieder komt in aanraking met informatie- of reclamemateriaal met betrekking tot aan te schaffen diensten of goederen. Ook in de talrijke effectenlease zaken van de afgelopen jaren is veelvuldig een beroep gedaan op het toen geldende art. 6:194 BW, het artikel dat misleidende reclame omschrijft. Men beriep zich op de misleidendheid van de bij de effectenleaseproducten behorende brochures. De brochures zouden de (potentiële) beleggers op het verkeerde been hebben gezet, door onjuistheden te vermelden over rendementen, rentebetalingen e.d. Vanaf 15 oktober 2008 is artikel 6:194 BW aangevuld door de Wet oneerlijke handelspraktijken, vastgelegd in de artikelen 6:193a-6:193j BW.

Art. 6:194 BW bepaalt dat – kort gezegd – een aanbieder van goederen of diensten in de uitoefening van een beroep of bedrijf onrechtmatig handelt wanneer hij een mededeling openbaar maakt en deze mededeling misleidend is. Ook onvolledige informatie kan misleidend zijn, evenals verwarrende informatie, maar ook een overload aan informatie als hierdoor relevante zaken ondergesneeuwd dreigen te raken.

Het begrip misleidendheid draagt natuurlijk een bepaalde subjectiviteit in zich: wat voor de een misleidend is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. Personen met een bepaalde specifieke kennis over het product, zijn minder snel misleid door informatie over dat product, aangezien zij de aangeboden informatie heel anders 'beoordelen'. Om de beoordeling van een beroep op misleidende reclame zo veel mogelijk gelijk te beoordelen, heeft de Hoge Raad in een arrest van 30 mei 2008 een aantal in het WOL-arrest weer bevestigde regels ontwikkeld. De Hoge Raad stelde vast dat bij de beoordeling van een beroep op art. 6:194 BW moet worden uitgegaan van de “vermoedelijke verwachting van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument”. Ondanks dat in dit arrest sprake was van informatieverstrekking aan personen in de zakenwereld, nam de Hoge Raad toch de gemiddelde (maat-)mens als uitgangspunt.

Specifieke kennis bij de ontvanger van de informatie maakt in beginsel niet dat de rechter het al dan niet bestaan van misleiding strenger zal beoordelen, tenzij vaststaat dat de aangeboden informatie enkel gericht is tot mensen met die specifieke kennis. Wel kan de rechter de ervaring of kennis laten meewegen in de beoordeling van de eigen-schuldvraag: kortom, ervan uitgaande dat de reclame misleidend is geweest, dient dan niet de schade toch vanwege die specifieke kennis anders verdeeld te worden?

In het WOL-arrest is de eerder op 30 mei 2008 gegeven regel over de gemiddelde maatmens weer bevestigd. Een rechter zal een beroep op misleidende reclame/informatie zo veel mogelijk objectiveren. Zou de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende, gewone consument zijn misleid door deze informatie? Door deze abstractie valt in ieder geval één ding te zeggen: de uitkomst in een concreet geval valt moeilijk te voorspellen.


Sabine Hirdes is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied mediarecht

De misleide maatmens