icon

Faillissementspauliana – een voorbeeld uit de praktijk

In principe is een schuldenaar tot aan het moment van faillietverklaring bevoegd om over zijn vermogen te beschikken. Artikel 42 van de Faillissementswet bepaalt echter dat de curator in het faillissement ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar (vennootschap of natuurlijke persoon) voor de faillietverklaring onverplicht heeft verricht kan vernietigen, indien de schuldenaar en degene met wie de rechtshandeling wordt verricht bij het verrichten van de rechtshandeling wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. De door de schuldenaar onverplicht verrichte rechtshandeling wordt ook Faillissementspauliana genoemd.

Wat zijn dan onverplichte rechtshandelingen en wanneer wordt wetenschap van benadeling van de crediteuren aangenomen? Onverplicht verrichte rechtshandelingen zijn rechtshandelingen die verricht worden zonder dat daartoe een verplichting uit de wet of een overeenkomst voor de schuldenaar bestaat. Voorbeelden van onverplichte rechtshandelingen zijn de betaling van een niet-opeisbare schuld, inbetalinggeving (overdracht van zaken of goederen aan de schuldeiser ter voldoening van een oude schuld) en overdracht van zaken of goederen die aan de schuldenaar toebehoren gevolgd door verrekening van de daarvoor verschuldigde koopprijs.

De wetenschap van benadeling van de schuldeisers wordt aangenomen indien op het moment van het verrichten van de handeling zowel de schuldenaar als degenen met wie de rechtshandeling wordt verricht met een redelijke mate van waarschijnlijkheid wisten of behoorden te weten dat de schuldeisers door de rechtshandeling in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld zullen worden.

Hoe onverplichte rechtshandelingen en de wetenschap van benadeling van de schuldeisers door de rechter in een procedure worden beoordeeld, kan aan de hand van het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 februari 2010 die deze week is gepubliceerd, worden uitgelegd.

In deze zaak hebben op 2 april 2004 de heer Y, de bestuurder en grootaandeelhouder van de later gefailleerde vennootschap Grematech, en de heer X, de bestuurder van de minderheidsaandeelhouder, vennootschap Z, in hoedanigheid van huurder en verhuurder een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarbij de sinds 2001 bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bij Grematech in gebruik zijnde bedrijfsruimte, eigendom van Z, per 1 april 2004 is beëindigd. In de overeenkomst werd onder andere bepaald dat de ruimte uiterlijk op 13 mei 2004 zou worden ontruimd en schoongemaakt aan de verhuurder ter beschikking zou worden gesteld en dat de kosten voor de nog niet aan het gebouw herstelde schade of voor de nog niet verwijderde zaken voor de rekening van Grematech zouden komen.

Op 8 april 2004 hebben Y en X in zijn functie van bestuurder van Z, als aandeelhouders van Grematech besloten het faillissement van de vennootschap aan te vragen bij de rechtbank. Op 14 april 2004 zijn door Y ten laste van Grematech betalingen verricht aan X voor het herstel van het gebouw en van de vloeren en voor de huur. Op 15 april 2004 is het faillissement aangevraagd en dit is op 21 april 2004 door de rechtbank uitgesproken.

De curator heeft bij de rechtbank met een beroep op artikel 42 Faillissementswet met succes de terugbetaling van de bedragen die op 14 april 2004 aan X waren betaald, gevorderd. X is tegen het vonnis in beroep gegaan.

Het hof was het met de rechtbank eens en oordeelde dat de betalingen aan X als onverplichte rechtshandelingen in de zin van artikel 42 Faillissementswet zijn aan te merken. Y was niet verplicht de vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Indien die verplichting er wel zou zijn geweest, dan waren de betalingen onverplicht door Y verricht omdat uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeide dat Grematech het gehuurde uiterlijk per 13 mei 2004 weer aan X ontruimd en in de oorspronkelijke staat diende op te leveren en niet daarvoor. Daarnaast vloeide uit de vaststellingsovereenkomst niet voort dat X als verhuurder zelf het recht had om het herstel in de oorspronkelijke staat en het herstel van schade al uit te (laten) voeren voor datum oplevering door Grematech of voor ingebrekestelling (en verzuim) van Grematech.

Het hof merkte op dat X niet heeft aangetoond dat die herstelwerkzaamheden nodig waren en dat die ook zijn uitgevoerd. Uit de door X overgelegde producties bleek alleen dat hij offertes heeft gevraagd en dat hij de in die offertes genoemde bedragen direct (op de dag van het uitbrengen van de offertes) aan Grematech heeft doorberekend. De betalingen waren niet opeisbaar en er bestond geen grond waarop X gerechtigd zou zijn van Grematech betaling van die facturen te verlangen.

Aan het wetenschapsvereiste van artikel 42 Faillissementswet was volgens het hof ook voldaan. Op het moment van de onverplichte rechtshandeling (in dit geval de betalingen van 14 april 2004) wist X of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn van die betalingen. Naar het oordeel van het hof was die wetenschap bij X aanwezig, althans behoorde die aanwezig te zijn, omdat X in zijn functie van bestuurder van Z op 8 april 2004 de aandeelhoudersvergadering van Grematech bijwoonde waarin werd besloten tot het aanvragen van het faillissement. Daar heeft X kennis genomen van het feit dat de vennootschap niet meer (in voldoende mate) in staat was haar schulden te voldoen en in de situatie verkeerde dat zij had opgehouden te betalen en dat het faillissement van de vennootschap onvermijdelijk was.


Maria van Bladel is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bedrijven in moeilijkheden

Faillissementspauliana – een voorbeeld uit de praktijk