icon

Dwangsommen en onmogelijkheid tot nakoming

Wanneer een partij wordt veroordeeld om iets te geven, te doen of te laten, kan de rechter aan die last de verbeurte van een dwangsom verbinden. Het doel daarvan is om te verzekeren, althans te stimuleren dat aan de hoofdveroordeling wordt voldaan.

Wanneer de veroordeelde – nadat hij al hetgeen heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht – er des ondanks niet in slaagt om aan de hoofdveroordeling te voldoen, heeft hij de mogelijkheid om bij de rechter schorsing, vermindering of opheffing van de dwangsom te vorderen. Bij onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, verliest de dwangsom immers zijn voornoemde doel en krijgt hij feitelijk het karakter van een boete. En punitive damages kent het Nederlandse civiele recht – in tegenstelling tot bijvoorbeeld dat van het VK en de VS – niet.

Bij de beoordeling van een vordering tot opheffing/vermindering van de dwangsom wegens onmogelijkheid, zijn twee criteria met name van belang.

Allereerst moet de onmogelijkheid voortvloeien uit omstandigheden die na de hoofdveroordeling zijn gerezen. Omstandigheden van daarvoor zijn – als het goed is- al meegwogen bij de hoofdbeslissing en hebben de oplegging van de dwangsom des ondanks niet verhinderd. Als die omstandigheden niet door de veroordeelde zijn aangevoerd terwijl dat wel had gekund, komt dat voor diens risico. Dit vereiste moet verhinderen dat de vordering tot opheffing van de dwangsom een verkapte vorm van hoger beroep wordt.

Ten tweede mag de onmogelijkheid tot nakoming van de hoofdveroordeling niet het gevolg zijn van de eigen onzorgvuldigheid van de veroordeelde. Anders zou deze zich door zijn eigen contraproductieve gedragingen alsnog van de dwangsom kunnen bevrijden. Uiteraard kan dan ook niet worden gezegd dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om tot nakoming van de hoofdveroordeling te komen.

Hoe hard is dit kader eigenlijk? Ook ingeval de onmogelijkheid voor de hoofdveroordeling al bestond en door de veroordeelde kon worden aangevoerd en aan zijn eigen tekortkomingen te wijten is, verliest de dwangsom wettelijk zijn doel. Verbeurte daarvan mist alsdan feitelijke grondslag. Dus toch een vorm van punitive damages?

De Hoge Raad hield het afgelopen week zo zuiver mogelijk. Hij oordeelde dat indien de veroordeelde al vóór de hoofdbeslissing van de onmogelijkheid op hoogte was (of redelijkerwijs had moeten zijn) en daar bovendien voor het ontstaan daarvan had moeten waken, de rechter slechts onder bijzondere omstandigheden opheffing van de dwangsom mag weigeren. Die bijzondere omstandigheden bestaan dan met name wanneer de veroordeelde opzettelijk, althans welbewust de onmogelijkheid heeft gecreëerd. Het zal aan de benadeelde partij zijn om die bewustheid voldoende aannemelijk te maken.

De gedachte achter deze uitspraak zal zijn dat iedere veroordeling tot betaling van een geldsom een wettelijke grondslag moet hebben. Bij onmogelijkheid, heeft de dwangsom die grondslag niet (meer). Dat neemt uiteraard niet weg dat – afhankelijk van het geval – de benadeelde partij vanwege die onmogelijkheid wellicht nog meer schade lijdt en zijn vordering uit dien hoofde dus toeneemt. Afhankelijk van de aanwezigheid van opzet aan de kant van de veroordeelde – en derhalve al of geen opheffing van de dwangsom – zal één van de partijen dus vervolgens het initiatief moeten nemen tot vaststelling van de hoogte van die extra vordering.


Koen van den Berg is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied handel- en ondernemingsrecht

Dwangsommen en onmogelijkheid tot nakoming