icon

Ontbinding arbeidsovereenkomst kort voor deze eindigt.

We hebben al eens aandacht besteed aan procedures waarin de kantonrechter wordt verzocht een arbeidsovereenkomst te ontbinden, kort voordat deze eindigt.
Meestal gaat het dan om situaties waarin de werkgever de overeenkomst heeft opgezegd, zonder daarbij een vergoeding aan te bieden; in de opzegtermijn kan een werknemer dan ontbinding verzoeken. De hoop daarbij is uiteraard dat de kantonrechter bij die ontbinding een vergoeding toekent. Dit bespaart de werknemer een vaak langdurige, en dus kostbare, procedure achteraf: na beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan een werknemer zich met een beroep dat die beëindiging kennelijk onredelijk was alsnog een vergoeding vorderen. Die procedure biedt echter weinig zekerheden, terwijl een ontbindingsprocedure snel gepiept kan zijn en een vrij redelijke kans bood op toepassing van de zgn. kantonrechtersformule.

Recentelijk heeft de Hoge Raad die rechtsgang minder aantrekkelijk gemaakt door te oordelen dat eerdere ontbinding alleen aan de orde kan zijn wanneer de werknemer een bijzondere reden kan aanwijzen voor het (nog) eerder eindigen van de arbeidsovereenkomst.

Een werkneemster van een supermarkt heeft kortgeleden moeten bemerken dat dit zelfde geldt voor een verzochte ontbinding vlak voor haar tijdelijke arbeidsovereenkomst van rechtswege zou aflopen.
Omdat er de nodige strubbelingen en problemen waren geweest had haar werkgever haar in februari 2010 bericht haar jaarcontract, dat 1 april jl zou aflopen, niet te zullen verlengen.
De medewerkster meldde zich die zelfde dag nog ziek – de periode december en januari was zij ook al ziek thuis geweest als gevolg van werkgerelateerde spanningsklachten – en verzocht de kantonrechter de arbeidsovereenkomst nog vóór 1 april 2010 te ontbinden, en haar een ontbindingsvergoeding toe te kennen. Ook meende ze dermate ziekmakend te zijn behandeld door haar werkgever dat zij recht had op smartengeld.

Op zich kan voor die keuze wel begrip worden opgebracht: iemand wiens contract van rechtswege eindigt heeft geen beroep op kennelijk onredelijk ontslag (want er vindt geen ontslag plaats). Wanneer zo’n werknemer van oordeel is dat hij onheus wordt bejegend lijkt een ontbindingsprocedure een aantrekkelijke manier om dat aan de orde te stellen, en financiële compensatie te verkrijgen.

De Leidse kantonrechter maakt er echter korte metten mee: hij stelt, wanneer het verzoek eind maart ter zitting behandeld wordt, vast dat de werkneemster hoogstwaarschijnlijk niet vóór 1 april 2010 weer arbeidsgeschikt zou worden. Bovendien bleek dat de werkgever niet de intentie had, mocht zij toch weer aan het werk kunnen, dit van haar te verlangen.
Er was met andere woorden geen reden om de arbeidsovereenkomst eerder te laten eindigen dan 1 april 2010. De rechter wees haar verzoek af; er werd niet ontbonden en werd (dus) ook geen vergoeding toegekend.

De kantonrechter is de werkneemster daarbij nog genadig: in theorie had hij haar verzoek in zoverre kunnen inwilligen dat hij eerder had kunnen ontbinden, zonder haar echter een vergoeding toe te kennen. De gevolgen daarvan – het UWV kent doorgaans niet zonder meer een ziektewetuitkering toe wanneer een zieke werknemer zelf zonder noodzaak het einde van haar arbeidsovereenkomst heeft bevorderd – vond de rechter echter kennelijk te ernstig.

De teneur is inmiddels wel duidelijk: alleen als er (heel) bijzondere omstandigheden zijn zal een arbeidsovereenkomst waarvan het einde nadert nog eerder worden ontbonden; een ontbindingsvergoeding ligt daarbij niet zonder meer voor de hand.

Ontbinding arbeidsovereenkomst kort voor deze eindigt.