icon

Hof Amsterdam rekt reikwijdte van artikel 6 BBA op

Tot nog toe kon een werkgever ervan uitgaan dat hij geen ontslagvergunning nodig had indien hij, kort gezegd, een werknemer wilde ontslaan waarvan vaststond dat er onvoldoende band was met de Nederlandse arbeidsmarkt en de werknemer niet op de Nederlandse arbeidsmarkt zou ‘terugvallen’. Een en ander vloeide voort uit een al ouder arrest van de Hoge Raad waarin werd geoordeeld dat het BBA strekt ter bescherming van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland, waarbij de in artikel 6 BBA neergelegde toestemming vooraf voor ontslag zowel in het belang van de betrokken werknemers als in dat van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag beoogt te voorkomen.

Uiteraard ontstond in praktijk, zoals zo vaak, vaak discussie over de vraag of in voorkomende gevallen wel of geen ontslagvergunning vereist was, een vraag die aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval beantwoord diende te worden.

Het Hof Amsterdam heeft in een recente uitspraak geoordeeld dat dit arrest van de Hoge Raad nuancering behoeft. Het Hof Amsterdam oordeelde dat het eerste doel, bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt, als gevolg van de Europese Unie en het vrij verkeer van werknemers daarbinnen, minder de nadruk dient te krijgen ten gunste van het tweede doel. Veeleer moet worden aangenomen, zo stelt het Hof, dat het BBA thans werknemers bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag biedt en dat dat doel de nadruk verdient.

De zaak waarover het Hof moest oordelen betrof een Amerikaanse werknemer die op basis van een Nederlandse arbeidsovereenkomst bij een Nederlandse werkgever in Amsterdam werkzaam was en zonder opzegvergunning was ontslagen. De werknemer stelde dat het ontslag was gegeven in strijd met het BBA en vernietigde vervolgens het ontslag. Partijen verschilden derhalve van mening over de vraag of wel of geen vergunning vereist was waarbij de werkgever zich, op grond van de relevante omstandigheden in deze zaak, beriep op bovenstaand criterium van de Hoge Raad. De werknemer stelde dat zijn arbeidsrelatie voldoende raakvlakken had met Nederland geen grond was om hem anders te behandelen dan een Nederlandse werknemer.

Zoals gezegd kon het Hof zich vinden in deze stelling van de werknemer. Het Hof achtte het, mede bezien tegen de achtergrond van het door Nederland onderschreven sterk toegenomen belang van de Europese Unie en het vrij verkeer van werknemers daarbinnen, achterhaald om nog te spreken over de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarmee zag het Hof geen reden om de Amerikaanse werknemer die op basis van een Nederlandse arbeidsovereenkomst werkzaam was voor een Nederlandse werkgever in Nederland en aangewezen bleek op een uitkering na ontslag anders te behandelen dan een werknemer met de Nederlandse nationaliteit.

Voer voor de Hoge Raad…


Liesbeth Heidstra is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied arbeidsrecht

Hof Amsterdam rekt reikwijdte van artikel 6 BBA op