icon

Beroepsmogelijkheden voor algemeen-belangorganisaties na invoering relativiteitsvereiste

Bij de Tweede Kamer ligt sinds afgelopen zomer een wetsvoorstel waarin een aantal belangrijke wijzigingen in het bestuursprocesrecht is opgenomen. Onder meer wordt beoogd het zogenaamde relativiteitsvereiste in te voeren. Dit vereiste houdt in dat de rechter een besluit niet kan vernietigen wegens strijd met de rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming tot belang van degene die zich daarop beroept.

Om een voorbeeld te geven dat zich daadwerkelijk heeft voorgedaan: Villabewoners keren zich tegen de bouw van een woonwagencentrum in hun buurt en voeren aan dat niet wordt voldaan aan de geluidnormen op de gevels van de woonwagens waardoor de woonwagenbewoners teveel geluidsoverlast zullen ondervinden. Dit leidde tot vernietiging van het besluit. Indien in de toekomst het relativiteitsvereiste gaat gelden, kunnen de villabewoners zich niet meer met succes beroepen op de schending van de geluidnormen.

Naar ik heb begrepen maken sommige algemeen-belangorganisaties zich naar aanleiding van de indiening van het wetsvoorstel zorgen over hun beroepsmogelijkheden. Zij zouden vrezen dat die mogelijkheden ernstig worden beperkt. Voor zover men vreest dat de toegang tot de rechter wordt bemoeilijkt, is die vrees naar mijn mening niet terecht. Het wetsvoorstel brengt namelijk geen verandering in de vereisten waaraan rechtspersonen nu moeten voldoen om als belanghebbende te worden aangemerkt. Rechtspersonen kunnen opkomen voor de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

De statutaire doelstelling moet niet te beperkt zijn omschreven, maar zeker ook niet te algemeen. Uit de doelstelling moet blijken welke belangen in het bijzonder worden behartigd. Sinds inmiddels alweer twee jaar toetst de bestuursrechter het vereiste van de feitelijke werkzaamheden strenger. Deze werkzaamheden mogen niet alleen bestaan uit handelingen die gerelateerd zijn aan het voeren van juridische procedures. Een algemeen-belangorganisatie moet dus (daarnaast) bijvoorbeeld excursies of informatiemarkten organiseren, interviews houden of lespakketten samenstellen. Deze regels, die in de wet staan en in de jurisprudentie verder zijn uitgewerkt / aangescherpt, bepalen ook als het relativiteitsvereiste straks wordt ingevoerd of de organisatie toegang heeft tot de rechter. Daarin komt dus geen verandering.

Het relativiteitsvereiste beperkt, als de organisatie eenmaal is toegelaten tot de rechter, vervolgens wel welke gronden de organisatie met kans op succes kan aanvoeren. Die gronden zijn beperkt tot strijdigheid met rechtsregels die kennelijk strekken tot bescherming van het belang dat de organisatie behartigt. De omschrijving van de statutaire doelstelling is en blijft dus van groot belang. Een beroep op normen die strekken tot andere dan de in de doelstelling genoemde belangen, die dus ook wel feitelijke werkzaamheden moeten worden behartigd, heeft waarschijnlijk geen kans van slagen meer.

Overigens geldt het relativiteitsvereiste sinds 31 maart 2010 al in bepaalde gevallen op grond van de Crisis- en Herstelwet. De jurisprudentie over die wet zal in de toekomst ongetwijfeld meer duidelijkheid gaan verschaffen over de effecten van het relativiteitsvereiste en over de vraag in hoeverre het noodzakelijk is om statutaire doelstellingen verder aan te passen. Vooralsnog denk ik dat het verstandig is om de verschillende belangen die een organisatie wil behartigen, expliciet te omschrijven.


Cathine Knijff is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Beroepsmogelijkheden voor algemeen-belangorganisaties na invoering relativiteitsvereiste