icon

Vrijheid van meningsuiting versus bescherming van eer en goede naam

Op 30 november 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam een interessante uitspraak gedaan waarin het over de verhouding tussen het recht op vrije meningsuiting versus het recht op bescherming van iemands eer en goede naam heeft geoordeeld.

Relevante feiten

In Het Parool van zaterdag 9 augustus 2008 is door een journalist een artikel geplaatst over een groep mensenhandelaren die op meerdere plaatsen in Nederland actief was en die (zo bleek na het onderzoek van de recherche) jarenlang tientallen vrouwen op gewelddadige wijze uitbuitte en hen onder andere dwong borstvergrotende operaties te ondergaan. In dat artikel is ook een passage opgenomen over de plastisch chirurg die de borstvergrotingen uitvoerde. De recherche had vastgesteld dat hij kwantumkorting verleende aan de groep mensenhandelaren en dat hij de gewenste omvang van de borsten met de mannen en niet met de vrouw besprak.

Beoordeling van de rechtbank

De plastisch chirurg stapte naar de rechter en vorderde in eerste aanleg een verklaring voor recht dat de uitlatingen in het artikel jegens hem onrechtmatig waren, onder meer omdat zij niet juist zouden zijn en omdat zij zijn persoonlijke levenssfeer schonden. De vordering werd door de rechtbank toegewezen.

Beoordeling van het gerechtshof

Het Parool en zijn journalist gingen in hoger beroep en betoogden dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) bepaalt dat er niet, uitgaande van twee gelijkwaardige rechten, een eenvoudige belangenafweging dient plaats te vinden, maar de in artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde vrijheid van meningsuiting het uitgangspunt moet zijn, en uitzonderingen op dat recht zorgvuldig moeten worden beoordeeld aan de hand van het tweede lid van die bepaling.

Anders dan Het Parool en zijn journalist betoogden, oordeelde het hof dat in het licht van de rechtspraak van het EHRM bij het afwegen van de betrokken belangen het recht van vrije meningsuiting in beginsel niet zwaarder moet wegen dan het recht op bescherming van eer en goede naam. Ook bij het uitoefenen van het in artikel 10, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht op een vrije meningsuiting zal steeds de zorgvuldigheid in acht moeten worden genomen die in het maatschappelijk verkeer in het algemeen ten aanzien van anderen moet worden betracht.

Volgens het gerechtshof is dat in dit geval niet anders omdat het beroep op de vrijheid van meningsuiting wordt gedaan in verband met de uitoefening van een journalistieke functie. Van een journalist kan worden verlangd dat hij zich redelijk inspant om te voorkomen dat de in zijn publicatie vermelde feiten door hun onjuistheid of door de wijze van presenteren voor (de reputatie van) een bepaalde persoon onnodig – bezien in het licht van de strekking van die publicatie – beschadigend zijn.

Zoals sinds een standaardarrest van de Hoge Raad uit 1983 gebruikelijk is in dit soort zaken, geeft het hof vervolgens aan onder welke voorwaarden een journalist wordt beschermd door artikel 10 EVRM bij reputatieschade door zijn publicatie, namelijk:

a) de mate waarin Het Parool en zijn journalist zich kunnen beroepen op bronnen die zij ten tijde van hun publicatie redelijkerwijs voor gezaghebbend konden houden dan wel destijds bevestiging daarvan hebben kunnen vinden in andere, vaststaande, feiten;
b) de ernst die Het Parool en zijn journalist redelijkerwijs hebben kunnen toekennen aan hetgeen zij met hun publicatie aan de orde wilden stellen, en het maatschappelijk belang dat zij hebben kunnen zien in het openbaar maken van de gewraakte gegevens,
c) toonzetting en woordkeus van (het gewraakte deel van) de publicatie, waarbij in aanmerking genomen moet worden dat naar vaste rechtspraak enige overdrijving en een zekere mate van provocatie nog niet als onrechtmatig mogen worden beschouwd, mede in verband met
d) het gezag dat door een deel van het publiek, naar redelijkerwijs voorzienbaar was, aan een dergelijk in Het Parool verschenen artikel zou worden toegekend,

al deze factoren afgewogen tegen

e) de voor Het Parool en zijn journalist redelijkerwijs voorzienbare effecten van de publicatie voor de reputatie van plastisch chirurg, waarbij ook van belang is
f) in hoeverre het negatieve/defamerende karakter van de genoemde feiten te maken had met diens privéleven.

Het gerechtshof oordeelde dat Het Parool en zijn journalist de passage over de plastisch chirurg konden verantwoorden aan de hand van hetgeen de journalist uit eigen waarneming bekend was met betrekking tot het onderzoek en de daaruit voortvloeiende veroordelingen. Het nadeel dat de plastisch chirurg door die vermelding kon ondervinden, was volgens het hof niet onevenredig groot in verhouding tot het met openbaarmaking van die gegevens beoogde doel. Daarnaast was het hof niet gebleken dat Het Parool en zijn journalist met hun publicatie en de daarin genoemde feiten zijn doorgedrongen tot het privéleven van de plastisch chirurg.

Met inachtneming van de hierboven genoemde voorwaarden heeft het hof met behulp van de omstandigheden in dit geval vastgesteld dat het recht op vrije meningsuiting van Het Parool en zijn journalist in dit geval wint van het recht op bescherming van eer en goede naam van de plastisch chirurg.

Het is niet vanzelfsprekend dat het recht van vrije meningsuiting zwaarder moet wegen dan het recht op bescherming van eer en goede naam. Deze twee in principe gelijkwaardige rechten worden in verschillende omstandigheden anders tegen elkaar afgewogen.


Maria van Bladel is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied mediarecht

Vrijheid van meningsuiting versus bescherming van eer en goede naam