icon

Dijkdoorbraak Wilnis: aansprakelijkheid voor gebrekkige opstal ex artikel 6:174 BW?

Ruim zeven jaar na de dijkdoorbraak bij Wilnis is het getouwtrek over de schade nog niet afgerond. Dat volgt uit een recent arrest van de Hoge Raad.

De gemeente De Ronde Venen stelt schade te hebben geleden door de dijkdoorbraak. In een inmiddels zeven jaar durend geschil probeert de gemeente deze schade op de eigenaar van de dijk, het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV), te verhalen. De gemeente baseert haar vordering op artikel 6:174 BW. Op grond van dit artikel is – heel kort gezegd – de bezitter van een gebrekkige opstal aansprakelijk voor de schade die daardoor ontstaat. Nadat de rechtbank de vordering van de gemeente had afgewezen, heeft het hof Amsterdam de vordering toegewezen. Vervolgens werd het geschil voorgelegd aan de Hoge Raad.

Hoewel men zich kan afvragen in hoeverre twee overheidsinstanties er goed aan doen belastinggeld uit te geven aan onderling geruzie, levert de uitspraak van de Hoge Raad wel enkele interessante inzichten op met betrekking tot de aansprakelijkheid voor opstallen ex art. 6:174 BW.

Een dijk is volgens de Hoge Raad in elk geval aan te merken als een “opstal” in de zin van art. 6:174 BW. Een (bouw-) werk kan worden aangemerkt als een opstal als sprake is van menselijk ingrijpen dat heeft bijgedragen aan de (duurzame) bestemming of functie van dat werk. Een dijklichaam valt onder deze definitie omdat het is ontstaan door uitgraving en drooglegging, gevormd is naar de inzichten in waterkeringen, in stand is gehouden overeenkomstig daarvoor ontwikkelde richtlijnen en is voorzien van een in de grond aangebrachte beschoeiing.

De vraag of de opstal ook “gebrekkig” is en AGV (dus) aansprakelijk voor de gestelde schade, blijkt aanzienlijk moeilijker te beantwoorden.

Volgens de Hoge Raad moet naar objectieve maatstaven onderzocht worden of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Hierbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Bij dit laatste moet in dit geval ook rekening worden gehouden met de bij de uitvoering van zijn publiekrechtelijke taak aan het Hoogheemraadschap toekomende beleidsvrijheid en de financiële middelen die hem in dat verband ten dienste staan. Daarbij zijn de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek en de daadwerkelijke technische mogelijkheid het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen mede bepalend.

De Hoge Raad bevestigt hier een vaste lijn die in de lagere rechtspraak is ontstaan met betrekking tot eventuele eigendomsaansprakelijkheid van overheidsinstanties, onder meer bij gevallen van schadeclaims met betrekking tot een “gebrekkige” riolering. Bij de vraag of een opstal “gebrekkig” is in de zin van art. 6:174 BW, gaat het onder meer om de beantwoording van de vraag of adequaat onderhoud is gepleegd aan de opstal. De omvang van deze onderhoudsverplichting hangt af van verschillende factoren. Als een overheidsorgaan eigenaar is van de opstal in kwestie, is hierbij onder meer van belang welke financiële middelen het overheidsorgaan ter beschikking staan voor de nakoming van de onderhoudsverplichting. Een overheidsorgaan heeft daarbij enige beleidsvrijheid. Het belastinggeld moet immers, ten behoeve van het algemeen belang, doelmatig worden uitgegeven. De gemeente De Ronde Venen en AGV zouden zich wat dit laatste betreft wellicht achter oren moeten krabben, gelet op de aanzienlijke kosten van dit juridisch geschil, die feitelijk ook door de belastingbetaler worden betaald.

Het hof Amsterdam heeft de bovengenoemde criteria naar het oordeel van de Hoge Raad niet op een juiste wijze toegepast. Zo heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat het voor het antwoord op de vraag of de dijk “gebrekkig” was, niet van belang is dat de kadeverschuiving is ontstaan door specifieke en bijzondere omstandigheden. Ook dit kan immers van belang zijn voor de beoordeling van de onderhouds- en veiligheidsmaatregelen die AGV heeft getroffen. Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat onbekendheid van het gevaar op grond van de wet voor risico komt voor de eigenaar (AGV) in het algemeen niet juist, voor een geval waarin het specifieke gevaar dat zich heeft verwezenlijkt naar de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek niet kenbaar was.

Een finale geschillenbeslechting biedt het arrest nog niet. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof van Den Haag. In Den Haag zal opnieuw moeten worden gekeken naar de vraag of de dijk “gebrekkig is”, waarbij deze keer ook de gestelde bijzondere omstandigheden moeten worden betrokken.

Heeft u vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Dijkdoorbraak Wilnis: aansprakelijkheid voor gebrekkige opstal ex artikel 6:174 BW?