icon

Levensgedrag van belang voor openen horecabedrijf

Dat niet zomaar iedereen een horecabedrijf kan openen in Amsterdam, wordt bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De burgemeester van Amsterdam wees in januari 2010 een vergunning voor het exploiteren van Harry’s American Bar af. De eerder verleende vergunning op grond van de Drank- en Horecawet werd gelijktijdig ingetrokken door het dagelijkse bestuur van het Stadsdeel Centrum. Na het doorlopen van de bezwaarprocedure en beroep bij de voorzieningenrechter buigt de Afdeling zich over deze besluiten.

Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren. De burgemeester kan de vergunning weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. De burgemeester houdt bij de toepassing van de weigering rekening met verschillende factoren, onder andere het “levensgedrag” van de exploitant of de leidinggevende. Op grond van de Drank- en Horecawet mogen leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

De burgemeester en het dagelijks bestuur zijn van mening dat het levensgedrag van deze persoon in de weg staat aan het houden van de vergunningen. Zij baseren zich beide op een politierapportage uit 2009 en gegevens uit het Justitiële Documentatieregister. Hieruit blijkt dat de exploitant in 2006 is veroordeeld wegens een misdrijf tegen het leven en dat hij vanaf 1997 regelmatig met de politie in aanraking is geweest, onder andere wegens het rijden onder invloed van alcohol. Hiertegen wordt aangevoerd dat deze feiten en omstandigheden niet mogen worden betrokken bij de invulling van het begrip ‘levensgedrag’, omdat deze buiten de horecagelegenheid hebben plaatsgevonden.

De Afdeling concludeert dat de voorzieningenrechter met juistheid heeft geoordeeld dat de burgemeester de exploitatievergunning mocht weigeren op grond van de politierapportage en gegevens uit het Justitiële Documentenregister. De burgemeester mocht zich op het standpunt stellen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. De burgemeester hoeft zich niet te beperken tot de feiten en omstandigheden die in een zekere relatie tot de exploitatie van het horecabedrijf staan bij de invulling van het begrip ‘levensgedrag’. In de praktijk is het juist wenselijk gebleken dat niet alleen feiten en gebeurtenissen in het bedrijf, maar ook zekere criminele activiteiten die daarbuiten door de houder worden ontplooit, worden betrokken bij de vraag of een exploitatievergunning in het belang van de openbare orde of het woon- en leefklimaat moet worden ingetrokken of geweigerd.

De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter. Aan de intrekking van de drank- en horecawetvergunning wordt niet toegekomen wegens niet-ontvankelijkheid. Het belang van beoordeling ontbreekt, omdat zonder exploitatievergunning geen gebruik kan worden gemaakt van een drank- en horecawetvergunning.


Charlotte Mulder is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Levensgedrag van belang voor openen horecabedrijf