icon

Erven nabestaanden vakantie-aanspraken?

Kort geleden bleek maar weer eens hoe verschillend met name lagere rechters over rechtsvragen kunnen denken – en oordelen.

In juni jl wees de kantonrechter in Heerenveen de vordering van een weduwe toe, die aanspraak maakte op een bedrag ter hoogte van zeven weken loon die haar overleden echtgenoot nog bij wijze van niet uitbetaalde vakantiedagen tegoed zou hebben van zijn werkgever op het moment dat hij overleed.
Twee jaar geleden wees de rechter Assen een vergelijkbare vordering van erfgenamen van een overleden werknemer af. Wie had gelijk?

Wanneer een werknemer komt te overlijden erven zijn/haar erfgenamen de (loon)aanspraken van die deze werknemer tijdens het dienstverband heeft opgebouwd.

Een arbeidsovereenkomst eindigt door het overlijden van de werknemer.
Bij het einde van de arbeidsovereenkomst ontstaat aanspraak op uitbetaling van door de werknemer tijdens het dienstverband opgebouwde, maar niet opgenomen, vakantiedagen.Let wel: de “vergoeding” waarop de uitdiensttredende werknemer dan recht krijgt, is geen “loon” in de gebruikelijke betekenis, maar een “uitkering ter hoogte van loon”. Eerder dan per de beeindigingsdatum kan (dan ook) géén aanspraak op uitbetaling worden gemaakt, dit omdat de wetgever heeft gemeend werknemers tegen zich zelf te moeten beschermen. Op deze manier wordt verzekerd dat werknemers hun vakantiedagen zo veel mogelijk daadwerkelijk opnemen, omdat deze dagen geacht worden een “recuperatiefunctie” te hebben.

Welnu, zei de Assense rechter, wanneer het recht op uitkering niet eerder ontstaat dan bij het eindigen van het dienstverband, was er op het moment van overlijden nog géén – te erven – aanspraak.

De Heerenveense rechter oordeelde diametraal anders: hij oordeelt dat het recht op de uitkering in feite recht op loon is, dat deze aanspraak wel degelijk al tijdens het dienstverband wordt opgebouwd, en moet kunnen vererven. De onderbouwing van dit oordeel is evenwel niet enorm overtuigend. De rechter maakt een vergelijking met het eindigen van het dienstverband bij pensionering of VUT.

De tweede uitspraak is sympathieker ten opzichte van treurende nabestaanden, maar is hij daarmee juist? De vergelijking met pensionering gaat natuurlijk niet op. Cruciaal bij eindigen door overlijden is dat degene die de aanspraak zou moeten verkrijgen er niet meer is… wat dat betreft is er geen speld tussen de redenering van de Assense rechter te krijgen.

Er is echter wel een redenering te bedenken die, zonder scheve vergelijkingen te trekken, recht doet aan het feit dat het “niet goed voelt” wanneer een werknemer die zeven weken vakantie heeft opgebouwd die aanspraken kwijt raakt, en niet aan zijn nabestaanden kan “doorgeven” wanneer hij sterft. De kantonrechter in Herenveen lijkt wel degelijk (ook) die redeneertrant in het achterhoofd te hebben gehad bij het schrijven van zijn vonnis. De echtgenoot van de weduwe had, als hij al zijn dagen had opgenomen, gedurende zeven weken loon ontvangen zonder daarvoor te hoeven werken; door zijn vakantiedagen niet op te nemen heeft hij derhalve in feite zeven weken lang prestaties geleverd – hij werkte in de bouw – voor zijn werkgever zonder daar betaling voor te ontvangen, dat zou later immers nog komen. Het gaat dan nauwelijks aan de beloning voor die zeven weken anders te behandelen dan als gewoon loon.

Het is dan ook, zo de werkgever al niet “onrechtvaardigd verrijkt” wordt door de hem door de overleden werknemer bezorgde “besparing”, op zijn minst in strijd met “de de in Nederland levende rechtsovertuigingen” dat de werkgever het betreffende loon in de zak zou mogen houden. Voor de juristen onder u: dat is een deel van de omschrijving van “redelijkheid en billijkheid” die zo'n grote rol speelt in ons recht, misschien wel het meest in het arbeidsrecht.

Bij het lezen van de twee uitspraken dringt zich overigens, zoals zo vaak, de vraag op in hoeverre allerlei persoonlijke omstandigheden mee hebben gespeeld bij het tot standkomen van zulke verschillende uitspraken. Zou het feit dat in de Heerenveense zaak een weduwe verscheen, en de Assense werknemer alleenstaand en kinderloos was, zodat de nabestaanden wat minder zielig werden gevonden, een factor van belang zijn geweest? En in hoeverre speelde een rol dat de Assense werkgever een “sociale werkplaats” was, en de Heerenveense een commercieel bedrijf? Of het gegeven dat dit bedrijf zich blijkens opmerkingen in het vonnis weinig vriendelijk jegens de weduwe lijkt te hebben opgesteld?

Misschien komt er nadere duidelijkheid; de werkgever in de meest recente uitspraak had zich beroepen op het Assense vonnis, en zal dus begrijpelijkerwijs teleurgesteld zijn. Mogelijk wordt er appèl ingesteld.

Heeft u vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Erven nabestaanden vakantie-aanspraken?