icon

Hoorplicht in het bestuursprocesrecht

In het bestuursprocesrecht zijn verschillende regels over het ‘horen’ opgenomen. Wanneer moet het bestuursorgaan de belanghebbende(n) horen en in welke gevallen kan het horen achterwege worden gelaten?

Op grond van artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een bestuursorgaan verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, alvorens op het bezwaar wordt beslist. Van het horen kan worden afgezien als het bestuursorgaan van mening is dat het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk, kennelijk niet ongegrond is of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen. Dit laatste mag alleen als andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. De belanghebbenden kunnen zelf ook verklaren dat zij van het recht om te worden gehoord afzien.

Voor de aanvrager van een beschikking zijn in de Awb afwijkende bepalingen opgenomen over de hoorplicht. Maar ook hier geldt dat als het bestuursorgaan voornemens is om de aanvraag van een beschikking volledig in te willigen de aanvrager niet hoeft worden gehoord. De aanvrager krijgt immers precies waar hij om gevraagd heeft. Wanneer het bestuursorgaan voornemens is de aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen, bestaat wel een verplichting om te horen. Het moet dan wel gaan om de situatie dat de afwijzing zou steunen op gegevens of feiten die de aanvrager betreffen én dat deze gegevens afwijken van de gegevens die de aanvrager zelf heeft verstrekt. Het horen kan in dat geval alsnog achterwege blijven als een afwijking van de gevraagde beschikking slechts van de geringe betekenis kan zijn.

Behalve de aanvrager kunnen ook derde belanghebbenden het recht hebben om te worden gehoord. Het bestuursorgaan moet hier alert op zijn. Voordat het bestuursorgaan een beschikking geeft, moet worden nagegaan of er mogelijk derde belanghebbenden zijn die naar verwachting bedenkingen hebben tegen het verlenen van de beschikking. Het bestuursorgaan is verplicht om deze derde belanghebbende te horen, maar alleen in het geval dat de beschikking zou steunen op gegevens of feiten die de belanghebbende betreffen en dat deze gegevens niet door de belanghebbende zijn verstrekt.

In geval van een beschikking kan het bestuursorgaan afzien van het horen bij spoed. Daarbij moet het gaan om spoed die voortvloeit uit omstandigheden die niet voor rekening van het bestuur komen. De bestuursorgaan kan niet een aanvraag laten liggen en vlak voor het vervallen van de beslistermijn op grond van dit artikel het horen achterwege laten. Ook indien de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen kan het bestuursorgaan het horen achterwege laten. Vereist is dan wel dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voortgedaan. Het bestuursorgaan kan voorts nog van het horen afzien wanneer het met de beschikking beoogde doel onbereikbaar wordt als de belanghebbende van de beschikking van tevoren in kennis wordt gesteld. De wetgever heeft hier gedacht aan (bijvoorbeeld) een beschikking, waarbij een machtiging tot het afluisteren van een telefoongesprek wordt gegeven.


Charlotte Mulder is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Hoorplicht in het bestuursprocesrecht