icon

Zorgplicht van de verhuurder en overtrederschap

In een eerdere bijdrage schreven wij al over de vraag wanneer een verhuurder als overtreder kan worden aangemerkt als in zijn pand een hennepkwekerij wordt ontdekt. Daarbij werd aangegeven dat het vaste rechtspraak is dat de “overtreder” degene is die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk schendt. Het hangt dus van de formulering van het voorschrift af, waarin het verbod is neergelegd, of de verhuurder als overtreder kan worden aangemerkt. De vraag naar het overtrederschap is (onder meer) relevant bij de vraag op wie de kosten van bestuursdwang kunnen worden verhaald. Artikel 5:25 lid 1 Awb schrijft namelijk voor dat de toepassing van bestuursdwang op de kosten van de overtreder geschiedt.

Om er voor te zorgen dat naast de huurder ook de verhuurder als overtreder kan worden aangemerkt, worden veel wettelijke verbodsbepalingen zo geformuleerd dat de verhuurder ook onder de reikwijdte van het verbod valt. Zo bepaalt art 1a lid 2 van de Woningwet het volgende: “Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voort-duurt”. Het artikel legt op zowel de huurder als verhuurder een zorgplicht om te voorkomen dat er gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat (c.q. voortduurt).

Deze zorgplichtbepaling stond centraal in een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) d.d. 2 november 2011, waarbij in het pand van de verhuurder een hennepkwekerij was ontdekt. Het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoogvliet, gemeente Rotterdam ging over tot toepassen van bestuursdwang en wenste de kosten daarvan te verhalen op de verhuurder. Volgens het dagelijks bestuur kon de verhuurder als overtreder worden aangemerkt nu deze wist dan wel redelijkerwijs kon weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt.

De verhuurder verweerde zich met de stelling dat hij niet als overtreder kon worden aangemerkt nu hij maatregelen had genomen om de identiteit van de huurder vast te stellen. Daarnaast heeft hij na de mededeling van de buren dat de wanden van het pand warm waren geworden contact opgenomen met de huurder.

De Afdeling stelt allereerst vast dat de rechtbank terecht als uitgangspunt heeft genomen dat voor de vraag of de verhuurder als overtreder aangemerkt kan worden van belang is of de verhuurder wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt. Volgens de Afdeling was dat het geval nu de verhuurder de identiteit van de huurder in onvoldoende mate had vastgesteld. De enkele beschikking over een getekende huurovereenkomst en een (achteraf bezien) onjuist identiteitsnummer was in dit geval onvol-doende. Daarnaast had de verhuurder nagelaten verder onderzoek te doen na het enkele contact met de huurder. Volgens de Afdeling heeft de verhuurder hiermee niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen en staat daarmee vast dat hij als overtreder heeft te gelden. Zodoende was het dagelijks bestuur gerechtigd om de kosten voor het toepassen van bestuursdwang op de verhuurder te verhalen.

Kortom, het vorenstaande leert dat van de verhuurder een actieve rol wordt verwacht bij de invulling van de zorgplicht. Daarbij merk ik op dat het in voornoemde zaak een verhuurder betrof die niet in een professionele hoedanigheid opereerde. Een professionele verhuurder zal naar mijn mening minstens zo niet meer rekenschap moeten geven van zijn zorgplicht indien hij wil voorkomen dat hij als overtreder wordt aangemerkt.


Yordy Soffner is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Zorgplicht van de verhuurder en overtrederschap