icon

Privaatrecht in het bestuursrecht

Tussen het privaatrecht en het bestuursrecht ligt een harde grens die in hoofdzaak is getrokken door de rechtsmachtsverdeling. De burgerlijke rechter oordeelt over het privaatrecht en de bestuursrechter over het bestuursrecht. Deze rechters moeten elkaar niet voor de voeten lopen of in elkaars vaarwater komen. De zogenaamde leer van de formele rechtskracht dwingt de burgerlijke rechter uit te gaan van de rechtmatigheid van een besluit indien de bestuursrechter dit een uitspraak heeft bevestigd of de mogelijkheid van bestuursrechtelijke rechtsbescherming niet is benut. De bestuursrechter onthoudt zich zoveel als mogelijk van oordelen over de civielrechtelijke verhoudingen, doch ontkomt daar in een aantal situaties niet aan.

Bijvoorbeeld bij de (ambtshalve) te verrichten toets of een partij nog procesbelang heeft in een bestuursrechtelijke procedure, zal de bestuursrechter civielrechtelijke vragen dienen te beantwoorden. Indien wordt opgekomen tegen de weigering van een vergunning en gebruikmaking van deze vergunning afhankelijk is van de toestemming van een derde, zal de bestuursrechter (moeten) nagaan of het is uitgesloten dat deze toestemming wordt verkregen. In dat geval wordt het beroep wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 21 december 2011 blijkt dat niet snel tot de conclusie wordt gekomen dat is uitgesloten dat in de toekomst van een vergunning gebruik kan worden gemaakt ondanks het ontbreken van een benodigde civielrechtelijke toestemming. Dat de Hoge Raad in de civiele procedure heeft bevestigd dat de vereiste toestemming terecht is geweigerd, is daarvoor onvoldoende wanneer tegen het arrest van de Hoge Raad een klacht is ingediend bij het EHRM, aldus de Afdeling. De Afdeling volstaat hier dus met het vaststellen dat een toestemming is vereist en een procedure openstaat om een oordeel van de burgerlijke rechter over de weigering deze toestemming te verlenen ter discussie te stellen. De Afdeling toetst niet, ook niet marginaal, in hoeverre de weigering de toestemming te verlenen in rechte uiteindelijk in stand zal blijven.

De bestuursrechter ontkomt niet aan een indringender toets aan het privaatrecht waar het gaat om de omgevingsvergunning met ontheffing waarbij een partij zich op standpunt stelt dat zich een privaatrechtelijke belemmering voordoet, die in de weg staat aan de uitvoering van het bouwplan, waarop de ontheffing betrekking heeft. Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke belemmering aan het verlenen van een ontheffing in de weg staan indien deze een evident karakter heeft. Hiervan is geen sprake in het geval het bestaan van de belemmering afhankelijk is van een beroep op verjaring en wordt bestreden dat een verjaring heeft plaatsgevonden (ABRvS 21 september 2011 en ABRvS 27 juli 2011). De bestuursrechter gaat voorts uit van hetgeen in het kadaster is opgenomen, ook indien een procedure aanhangig is bij de civiele rechter tot wijziging (ABRvS 31 augustus 2011).

Ook in andere vraagstukken ontkomt de bestuursrechter er niet aan een oordeel te geven over het privaatrecht. Bijvoorbeeld waar het gaat om de vraag in het kader van een dwangsombesluit welke (rechts)persoon als overtreder is aan te merken en het in zijn/haar macht heeft een overtreding te beëindigen, zal de bestuursrechter niet zelden een analyse maken van de contractuele verhoudingen om vast te stellen of er feitelijke zeggenschap.

De scheiding tussen de rechtsmachten is dus bepaald niet waterdicht.

Privaatrecht in het bestuursrecht