icon

Commissaris op stoel van bestuurder: wie stelt zijn salaris vast?

In een vennootschap spelen meerdere organen een rol, zoals het bestuur, de raad van commissarissen (RvC) en de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA). In Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is onder meer aangegeven hoe deze organen worden benoemd, wat hun functies zijn en hoe zij worden bezoldigd. In sommige wetsbepalingen is de wet dwingend, zoals art. 2:145 BW, waarin is bepaald dat de AvA de bezoldiging van de RvC vaststelt. Andere wetsbepalingen laten een mogelijkheid toe het in de statuten anders te regelen, zoals bijvoorbeeld art. 2:147 BW, waarin is opgenomen dat de RvC bevoegd is iedere bestuurder te allen tijde te schorsen, tenzij bij de statuten anders is bepaald.

Onlangs heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan over de bezoldiging van de RvC. Het ging in casu als volgt.

X was lid van de RvC van I N.V. De statuten van I bepaalden onder meer dat de AvA het salaris en verdere arbeidsvoorwaarden van de RvC vaststelt. Toen de directeur van I aftrad, heeft de AvA bepaald dat de directiewerkzaamheden werden overgelaten aan de RvC. X werd toen ook benoemd tot gedelegeerd commissaris van twee dochtermaatschappijen van I. De RvC heeft vervolgens besloten dat X voor deze managementtaken een vergoeding zou krijgen.

In de procedure die voor de Hoge Raad lag, ging het om de vraag of X aanspraak kon maken op de aanvullende vergoeding die de RvC hem had toebedeeld, omdat X extra managementtaken had verricht.

Van belang bij de beantwoording van deze vraag zijn de volgende bepalingen:

– Op grond van art. 2:145 BW kan de AvA een bezoldiging toekennen aan de RvC. Zo is in casu ook in de statuten bepaald.
– In art. 2:151 BW is aangegeven dat commissarissen die, zonder deel uit te maken van het bestuur van de N.V., krachtens een bepaling van de statuten of een besluit van de AvA, voor een tijd of onder bepaalde omstandigheden daden van bestuur verrichten. Zij worden dan wat betreft hun rechten en verplichtingen ten opzichte van de vennootschap en derden als bestuurders beschouwd.
– Op grond van art. 2:135 BW wordt het beleid ten aanzien van de bezoldiging van het bestuur vastgesteld door de AvA. Met inachtneming van dat beleid wordt de bezoldiging van het bestuur vastgesteld door de AvA, tenzij de statuten anders bepalen. In casu is in de statuten bepaald dat de RvC de bezoldiging aan het bestuur toekent.

In tegenstelling tot wat het gerechtshof had geoordeeld, beslist de Hoge Raad dat X geen aanspraak kan maken op de aanvullende vergoeding. De Hoge Raad overweegt dat de beloning van bestuurders en commissarissen, ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders en commissarissen te voorkomen, dient te geschieden door de in de wet en de statuten aangewezen organen. Commissarissen kunnen dus wel voor zekere tijd daden van bestuur verrichten, maar zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan – in casu was volgens de statuten de AvA daartoe bevoegd – maken zij geen deel uit van het bestuur. De statuten in casu laten de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders aan de RvC over, maar dit maakt de RvC nog niet bevoegd om een bezoldiging aan zijn eigen leden toe te kennen ter vergoeding van door die leden verrichte werkzaamheden op bestuursniveau.

De aard van de verrichte werkzaamheden is dus niet beslissend, maar het feit of X op grond van de statuten of door een besluit van de AvA de hoedanigheid van bestuurder heeft gekregen. Nu dat niet het geval was, bleef X dus gewoon commissaris, ook al verrichtte hij feitelijk werkzaamheden van een bestuurder. De vergoeding voor zijn werkzaamheden dient dus in dit geval te worden vastgesteld door de AvA, aangezien die het bevoegd orgaan is tot vaststelling van de bezoldiging van de RvC.

De Hoge Raad benadrukt dat belangenconflicten moeten worden voorkomen en dat er een noodzaak bestaat tot een duidelijke bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap. Bovendien kan er snel onduidelijkheid ontstaan over de aard van de door een commissaris verrichte werkzaamheden. Om die reden wordt de bezoldiging dus gekoppeld aan de functie die men bekleedt, niet aan de werkzaamheden die men verricht.


Rosemarie Franken is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied vennootschapsrecht

Commissaris op stoel van bestuurder: wie stelt zijn salaris vast?