icon

Rechterlijke toetsing ter bescherming journalisten

Vandaag is een aanwijzing van het college van procureurs generaal binnen het Openbaar Ministerie in werking getreden, die betrekking heeft op de bronbescherming van journalisten. Het belangrijkste gevolg daarvan is dat strafrechtelijke dwangmiddelen tegen journalisten (zoals huiszoeking (al dan niet op de redactie), inbeslagname van “journalistiek materiaal” en het opvorderen van elektronische gegevens zoals IP-adressen) in beginsel vooraf door een rechter moeten worden getoetst. Nederland was in dat verband door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op de vingers getikt. Achtergrond van de aanwijzing is het verder versterken van de vrijheid van meningsuiting. Daaronder hoort namelijk ook de vrijheid van nieuwsgaring thuis en dáárbinnen is bronbescherming weer een groot goed. Het is een gegeven dat onderzoeksjournalistiek veel minder misstanden aan het licht kan brengen als er geen gedegen bronbescherming is.

Sinds een belangrijke uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uit 1996 (in de zogenaamde “Goodwin” zaak) is journalistieke bronbescherming een feit, al zitten daar nog wel grenzen aan. De basis voor die grenzen is dezelfde als die welke geldt voor beperking van de vrijheid van meningsuiting in het algemeen: noodzakelijk in een democratische samenleving in het belang van de nationale en openbare veiligheid, voorkomen van strafbare feiten, bescherming van gezondheid, etc. (zie voor de gehele omschrijving lid 2 van artikel 10 EVRM). Zo kan een journalist toch gedwongen worden zijn bron te noemen (of kan deze hem/haar door huiszoeking, afluistering, etc. worden ontfutseld) als daarmee zo'n “groot belang” gediend wordt.

Kernvraag is dan: wie bepaalt of er in een concreet geval zo'n “groot belang” aan de orde is? Welnu: voorheen was dat het Openbaar Ministerie zelve. Dit kon zelf beslissen of het opsporings- en vervolgingsbelang in concreto zóveel gewicht in de schaal legde dat de vrijheid van informatiegaring daarvoor diende te wijken (het proportionaliteitselement) en zelf vaststellen dat er geen ander middel beschikbaar was voor de opsporing dat minder belastend was voor de journalistieke taakuitoefening (het subsidiariteitselement). Weliswaar was dat onderhevig aan toetsing door de rechter, maar die toetsing kwam pas achteraf (als het “kwaad” dus al was geschied).

Dat wordt nu anders. Ten aanzien van inbeslagneming stelt de aanwijzing dat “het van belang [is] dat een rechter zich vóóraf kan uitspreken over de rechtmatigheid [daarvan].” Daartoe dient op basis van artikel artikel 105 Sv. een vordering te worden ingediend bij de rechter commissaris. Bovendien moet het materiaal op de voor de journalist minst belastende wijze wordt afgegeven; hij moet in de gelegenheid gesteld worden daarvan een kopie te maken en het origineel zo spoedig mogelijk terug ontvangen.
Is een doorzoeking aan de orde, dan kan het OM daartoe ook niet meer op eigen houtje op basis van artikel 96c Sv. overgaan (of zelfs de politie machtigen dit te doen), maar dient evenzeer de rechter te worden ingeschakeld. Dan geldt de procedure van artikel 110 Sv., met een actieve rol voor de rechter commissaris.

Daarnaast wordt in de aanwijzing duidelijk uitgesproken “dat in de praktijk slechts dan sprake kan zijn van het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen, als dit het enige denkbare effectieve middel is om een zeer ernstig delict op te sporen en te voorkomen. Het moet gaan om die misdrijven waarbij het leven, veiligheid of de gezondheid van mensen ernstig kan worden geschaad of in gevaar kan worden gebracht.” Hiermee geven de hoogste bazen van het OM hun eigen uitleg invulling van proportionaliteit en subsidiariteit. Al met al een duidelijke verruiming van de journalistieke vrijheid. Wel dient bedacht te worden dat het hier niet om een wettelijk voorschrift gaat maar om een interne beleidsregel van het Openbaar Ministerie. Maar ook op beleidsregels kan een beroep worden gedaan, al is het maar op basis (of naar analogie) van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Interessant is bij dit alles natuurlijk nog wel de vraag: wat is een journalist? Er zijn tegenwoordig talloze mensen die nieuws openbaar maken via weblogs, youtube documentaires, twitter. Gelden deze beschermende regels nu voor hen allemaal? Niet altijd.

Hoewel de aanwijzing expliciet vermeldt dat ook nieuwssites, blogs en streaming video's als journalistieke activiteit worden aangemerkt, wordt wel het vereiste gesteld dat men daar professioneel mee bezig is. “Journalist” is volgens de aanwijzing “de natuurlijke of rechtspersoon die zich beroepsmatig bezighoudt met het verzamelen en vervolgens verspreiden van informatie via de media“. Wat “beroepsmatig” is wordt niet verder uitgelegd; enige mate van consistentie en professionaliteit mogen daarbij echter wel worden verondersteld. De regels strekken zich in ieder geval ook uit over de “assistenten” van deze professionals, zoals camera- en geluidsmensen, bureauredacties, etc.

Verder lezen: de aanwijzing zoals gepubliceerd in de Staatscourant (pdf)

Heeft u vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Rechterlijke toetsing ter bescherming journalisten