icon

Verhoging griffierecht reden om de veroordeelde gedaagde niet in de kosten te veroordelen?

Veel bedrijven hebben momenteel te kampen met wanbetalende klanten. Als incassomaatregelen niet lijken te werken, moet een afweging worden gemaakt of procederen de moeite waard is. De werkelijke proces- en/of advocaatkosten kunnen nooit volledig worden gevorderd van de gedaagde (behalve in een intellectueel eigendomsrechtkwestie), waardoor die afweging vaak afhangt van de hoogte van de vordering. Vorig jaar zijn de kosten voor het aanbrengen van een procedure bij de rechter (griffierechten) sterk gestegen, waarmee het tevens van belang is om af te wegen of de vordering kans van slagen heeft, want alleen dan wordt de gedaagde in die kosten veroordeeld. Echter, zelfs als de vordering wordt toegewezen heeft de rechter nog de vrijheid de kostenvordering niet toe te wijzen omdat de rechter vindt dat de eiser de kosten nodeloos heeft veroorzaakt.

In een procedure kunnen naast proceskosten ook buitengerechtelijke kosten worden gevorderd. Dat zijn de kosten die de eisende partij heeft gemaakt om zijn vordering voldaan te krijgen buiten een procedure om. Dat zijn bijvoorbeeld de kosten voor het treffen van betalingsregelingen.

De kantonrechter in Brielle heeft eind vorig jaar een gedaagde in het ongelijk gesteld, maar hem toch niet in de proceskosten veroordeeld, omdat de eiser een betere afweging had moeten maken gezien de verhouding tussen de hoogte van de vordering en de te maken kosten in de procedure.

In deze procedure speelde waarschijnlijk de zieligheidsfactor van gedaagde een grote rol. Het betrof een huurvordering van een woningstichting op een man die opeens van een uitkering moest rondkomen nadat hij een beroerte had gehad. De gemachtigde van de woningstichting had al twee betalingsregelingen met de huurder getroffen, maar deze kwam de man steeds net niet na. Uiteindelijk werd de huurder gedagvaard voor een huurachterstand van minder dan één huurtermijn. De kantonrechter overwoog dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten voor de betalingsregelingen niet waren gemaakt ter voorkoming van een procedure, omdat er geen rekening werd gehouden met het door de gedaagde gewenste tempo van afbetalen. Op die manier was het vooraf duidelijk dat gedaagde de afspraak niet zou kunnen nakomen.

Ten aanzien van de proceskosten oordeelde de kantonrechter dat de woningstichting bevoegd was te dagvaarden, maar in de gegeven omstandigheden was het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om gedaagde met de kosten van het geding te belasten nu deze kosten even hoog waren als de vordering zelf.

Ik vind deze beslissing heel ver gaan. In feite wordt de woningstichting gestraft voor het treffen van betalingsregelingen voor zij tot dagvaarden overging. Zij heeft mijns inziens de proceskosten niet nodeloos veroorzaakt, want zij had immers een terechte vordering. Als een eiser inderdaad, zoals deze kantonrechter stelt, een afweging moet maken tussen de hoogte van de vordering en de te maken kosten in een procedure, zou dat betekenen dat vorderingen onder een bepaald bedrag nooit ter beoordeling aan de rechter zouden kunnen worden voorgelegd. Dat acht ik een verkeerde ontwikkeling. Hopelijk blijft deze uitspraak een uitzondering.


Maartje Oliemans-Ouwehand is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied incasso

Verhoging griffierecht reden om de veroordeelde gedaagde niet in de kosten te veroordelen?