icon

Wanneer is een vergunning overdraagbaar?

Afgelopen januari besteedde ik, naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 21 december 2011, aandacht aan twee verschillende mogelijkheden waarop een vergunning kan overgaan: namelijk door een wijziging tenaamstelling of door een overgang van rechtswege. Dit zijn bestuursrechtelijke regelingen van de wijze van overgang van een vergunning.

De problematiek omtrent de mogelijkheid en wijze van overgang van vergunningen speelt zich af op het grensvlak tussen bestuurs- en privaatrecht. De betrokken partijen staan als het ware in een driehoeksrelatie. Enerzijds is er de relatie tussen de private partijen, de vergunninghouder en degene aan wie hij de vergunning wil overdragen; anderzijds is er de relatie tussen het bestuursorgaan dat de bevoegdheid heeft de vergunning te verlenen enz. en de vergunninghouder en diens beoogd rechtsopvolger. Een belangrijke vraag op het terrein van het privaatrecht is of een vergunninghouder zijn vergunning volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek kan overdragen aan de persoon die hij als rechtsopvolger in gedachten heeft.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 21 maart 2012, in een uitspraak op (onder andere) deze vraag antwoord gegeven. Kern van de beroepsprocedure is de vraag of aan een vergunning die op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend voor het mechanisch winnen van wadpieren, als voorschrift kan worden verbonden: “De vergunning is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar. Verzoeken tijdens de looptijd van de vergunning tot overschrijving van de vergunning worden niet gehonoreerd”. Ratio van het voorschrift is het in de Derde Nota Waddenzee neergelegde uitsterfbeleid voor mechanische pierenwinning, omdat dit niet duurzaam is. Het uitsterfbeleid houdt onder andere in dat vergunningen verleend voor mechanische pierenwinning niet overdraagbaar zijn.

De vergunninghouders komen op tegen het voorschrift dat de overdracht van de vergunning uitsluit en betogen onder meer dat de Natuurbeschermingswet 1998 niet voorziet in vergunningen die niet overdraagbaar zijn. Volgens de vergunninghouders zijn de vergunningen daarom naar hun aard overdraagbaar. Hoewel dit niet expliciet in de uitspraak staat, zal de gedachte van appellanten zijn dat de vergunningen zaaksgebonden zijn, d.w.z. dat bij de verlening ervan persoonsgebonden eigenschappen, kenmerken enz. van de vergunninghouder geen rol spelen.

Vervolgens is van belang dat art. 3:83 lid 1 BW bepaalt dat eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet en dat alle andere rechten (volgens lid 3 van dit artikel) slechts overdraagbaar zijn wanneer de wet dit bepaalt. Vergunningen zijn andere rechten als bedoeld in lid 3. Dit volgt ook uit de overweging van de Afdeling dat uit art. 3:83 lid 1 en lid 3 BW volgt dat vergunningen slechts overdraagbaar zijn wanneer de wet dit bepaalt. In de Natuurbeschermingswet 1998, zo overweegt de Afdeling vervolgens, is niet voorzien in een regeling omtrent overdracht van een vergunning en daaruit volgt dat deze vergunningen niet overdraagbaar zijn volgens de regels van het burgerlijk recht. De Afdeling zegt het niet uitdrukkelijk, maar uit haar overwegingen valt af te leiden dat de Afdeling van oordeel is dat de vergunning alleen overdraagbaar is als de desbetreffende wet dat uitdrukkelijk regelt.

Voor het bestreden voorschrift betekent dit dat aan de eerste zin (‘de vergunning is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar') geen betekenis toekomt, aldus de Afdeling. Immers, de niet-overdraagbaarheid vloeit bij het ontbreken van een bepaling dat de vergunning overdraagbaar is, voort uit de wet. Het voorschrift is wat dit betreft dus overbodig, een loos voorschrift.

De tweede volzin gaat niet over de (on)mogelijkheden voor de betrokken private partijen, maar ziet op de bestuursrechtelijke kant van de zaak. Dit deel van het voorschrift gaat uit van het bestaan van een bevoegdheid van het vergunningverlenend gezag om de vergunning op naam over te schrijven (een wijziging tenaamstelling) en legt vast dat een verzoek daartoe zal worden afgewezen. De Afdeling vindt dat, gelet op het gevoerde en in de Nota neergelegde uitsterfbeleid, in het voorschrift geregeld mag worden dat een verzoek om overschrijving op naam niet gehonoreerd zal worden. Belangrijk is dat de Afdeling uitdrukkelijk aangeeft dat de conclusie dat de vergunning niet overdraagbaar is volgens de regels van het BW, niet betekent dat de vergunning niet kan overgaan op een andere persoon.De redenering is dat de houder van een vergunning met een zaaksgebonden karakter, zoals de Natuurbeschermingswetvergunning, in beginsel bij het bevoegd bestuursorgaan kan verzoeken om een overschrijving van de vergunning, en dat het bestuursorgaan hieraan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, medewerking verleent en aldus een overgang van de Natuurbeschermingswetvergunning wordt bewerkstelligd. Ik merk op dat nu de Natuurbeschermingswet 1998 ook niets regelt over de bevoegdheid tot wijziging tenaamstelling, uit de uitspraak kan worden afgeleid dat de Afdeling een impliciete bevoegdheid daartoe aanneemt gelet op de aard van de vergunning.

Kortom: overdracht volgens de regels van het BW tussen de vergunninghouder en een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon kan alleen als de wet op grond waarvan de vergunning wordt verleend dit expliciet bepaalt. Gaat het om een zaaksgebonden vergunning, dan kan deze desalniettemin in beginsel wel overgaan, namelijk door een besluit tot wijziging tenaamstelling van het bevoegde bestuursorgaan, ook als de wet daar niets over zegt.


Cathine Knijff is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied omgevingsrecht

Wanneer is een vergunning overdraagbaar?