icon

Heffing op mp3 speler en harddiskrecorder verplicht!

Het Gerechtshof te Den Haag heeft gisteren een onverwachte en baanbrekende uitspraak gedaan. Het heeft bepaald dat de Staat jarenlang onrechtmatig heeft gehandeld, door niet bij amvb te bepalen dat de consument een heffing moet betalen bij de aanschaf van een nieuwe mp3-speler of harddiskrecorder. Die heffing zou ten goede hebben moeten komen aan auteursrechthebbenden en uitvoerende kunstenaars, van wie werk op de harde schijf van deze apparaten zou worden gekopieerd. De Staat moet daarom ook de schade vergoeden die deze rechthebbenden hebben geleden doordat jarenlang niet zo'n heffing is opgelegd. De hoogte daarvan moet nog worden vastgesteld in een zogenaamde schadestaat-procedure. Er wordt gesproken van een bedrag dat kan uitkomen tussen 30 en 120 miljoen euro. In het onderstaande een uitleg van achtergronden en mogelijke gevolgen.

Heffingen moeten betalen in relatie tot kopieën voor eigen gebruik (“thuiskopieën”) is op zichzelf niets nieuws. Sinds 1991 kennen wij een regeling voor een heffing op blanco beeld- en geluidsdragers (CD's, DVD's, videobanden, cassettes). Artikel 16c, lid 2 van de Auteurswet bepaalt dat voor het thuiskopiëren op “een voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven” (lees: een blanco beeld-, geluids- of informatiedrager) een “billijke vergoeding” moet worden betaald. Omdat deze vergoeding praktisch gezien natuurlijk nooit bij de individuele thuiskopieerders zou kunnen worden geïnd, is de betalingsverplich-ting bij de fabrikant of importeur van de drager gelegd: een heffing dus op deze dragers.
De fabrikant draagt de heffing af aan de hiervoor opgerichte Stichting De Thuiskopie, die de ontvangen gelden weer verdeelt onder de rechthebbenden. Daaronder vallen sinds 1993 naast de auteursrechthebbenden ook de houders van naburige rechten (waaronder uitvoerende kunstenaars). De fabrikant berekent de betaalde heffing natuurlijk weer vrolijk door aan de consument en dat is dus degene die uiteindelijk betaalt. Of hij nu zijn eigen vakantiekiekjes op de DVD brandt, of gratis van internet gedownloade films of muziek, maakt dan geen verschil meer. Dat is nu eenmaal het nadeel van deze “verheffing” (de term is van prof. Visser) of “fiscalisering” van het auteursrecht.

Ik zei al: de regeling is bedoeld voor heffingen op beeld-, geluids- of informatiedragers. Op welke daarvan daadwerkelijk wordt geheven, mag in Nederland worden bepaald bij algemene maatregel van bestuur (amvb) (art. 16c, lid 6 Aw.). Tot dusver waren aldus door de regering alleen analoge video- en cassetebandjes, minidiscs, CD's en DVD's aangewezen. Ten onrechte, volgens de stichting NORMA, die de belangen van uitvoerende kunstenaars behartigt. Zij spande een procedure aan tegen de Staat, omdat volgens haar al lang ook digitale audiospelers en digitale videorecorders (dus apparaten die alleen met een “harde schijf” werken) voor een heffing hadden moeten worden aangewezen.

De Staat zag daarvoor de afgelopen jaren om diverse redenen geen aanleiding. Zo wilde men achtereenvolgens o.a. wachten op Europabrede ontwikkelingen en op het effect van technische beschermingsmaatregelen tegen ongebreideld thuiskopiëren. Ook kon uitbreiding van het heffingensysteem niet aan de orde zijn, zolang de geïncasseerde gelden volgens de bestaande regeling niet behoorlijk werden verdeeld (daar was -en is nog steeds, meen ik- gedoe over). En vervolgens werd er breed gedebatteerd over de toekomst van het auteursrecht in de internetsamenleving binnen en buiten de parlementaire werkgroep auteursrechten.

Niks mee te maken, stelde NORMA (en nu ook het Haagse Hof): het betreft hier een kwestie die is geregeld in de Europese Auteursrechtrichtlijn en die schrijft billijke compensatie voor.
Het Hof, verwijzend naar twee uitspraken van het HvJEU (de Padawan uitspraak uit 2010 en de Opus uitspraak uit 2011), komt tot de keiharde uitspraak:
Uit het systeem van de Auteursrichtlijn, zoals uitgelegd door het HvJEU, volgt dat een lidstaat die het ongeautoriseerd maken van een thuiskopie mogelijk maakt, ervoor moet zorg dragen dat de rechthebbende daarvoor een billijke compensatie ontvangt en dat die billijke compensatie het (mogelijke) nadeel moet vergoeden dat de rechthebbende door de betrokken reproductiehandeling lijdt. De lidstaat heeft bij het al dan niet toekennen van een billijke compensatie geen beleidsvrijheid, behalve dat hij binnen de grenzen van het Unierecht en de richtlijn de vorm, de wijze van financiering en inning en het niveau van deze billijke compensatie kan bepalen.”

De door de Staat aangevoerde argumenten worden van tafel geveegd: de Staat loopt Europees gezien uit de pas en dat moet ophouden. De Staat mag niet “één of meerdere categorieën die eveneens – in meer dan verwaarloosbare mate – voor het maken van thuiskopieën worden gebruikt en daardoor schade voor de rechthebbenden veroorzaken, […] uitzonderen.”

Met name die laatste overweging brengt met zich mee dat er nog het een en ander in het vat zit. Deze uitspraak gaat dan wel alleen over digitale audio- en videoapparatuur (zo was de eis nu eenmaal geformuleerd), maar het is duidelijk dat wat het Haagse Hof betreft ook op overige categorieën beeld- en geluidsdragers (ik noem harde schijven uit computers, mobiele telefoons, usb-sticks, etc.) een heffing moet worden gelegd.

Er is een alternatief. Volgens de Auteursrechtrichtlijn hoeft een lidstaat de thuiskopie (en zeker de thuiskopie uit “illegale bron” niet toe te staan). Als die thuiskopie verboden wordt, kunnen de heffingen van tafel. Ook daar zal de consument echter niet blijer van worden…

We gaan kijken of er cassatie volgt, al kan ik de gronden niet zo snel bedenken. Het komt weliswaar bepaald niet iedere dag voor dat de rechtsprekende overheid aan de wetgevende overheid voorhoudt dat deze met zijn taak in gebreke is gebleven. Maar met de toename van het acquis communautaire krijg je dit soort dingen…

Heeft u vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Heffing op mp3 speler en harddiskrecorder verplicht!