icon

Tegelen-jurisprudentie: rechtszekerheid vs rechtsbescherming

De Tegelen-jurisprudentie is gebaseerd op rechtszekerheid van de bouwer. Vernietiging van een bestemmingsplan heeft in beginsel geen terugwerkende kracht voor de omgevingsvergunning die op basis van het bestemmingsplan is verleend. Terugwerkende kracht van de vernietiging van een bestemmingsplan stuit volgens de Afdeling op bezwaren omdat het burgemeester en wethouders gegeven het limitatief-imperatieve stelsel van artikel 44 Woningwet (inmiddels vervangen door artikel 2.10 van de Wabo) – tot aan het tijdstip van de vernietiging niet vrijstaat om anders dan op basis van het nieuwe bestemmingsplan te beslissen (zie ABRS 21 december 1999, H01.99.0245, Tegelen).

In een eerdere bijdrage (26 november 2009) heb ik er op gewezen dat het limitatief-imperatief stelsel van artikel 2.10 van de Wabo (voorheen: art. 44 van de Woningwet), in combinatie met de Tegelen-jurisprudentie, zorgt voor een onaanvaardbare leemte in de rechtsbescherming. Als een omgevingsvergunning wordt verleend op basis van een niet-onherroepelijk bestemmingsplan, en dat bestemmingsplan vervolgens wordt vernietigd, heeft die vernietiging volgens de Tegelen-jurisprudentie geen gevolgen voor de omgevingsvergunning. In de procedure tegen de omgevingsvergunning kunnen dan nog slechts zeer beperkte gronden worden aangevoerd, waardoor de situatie kan ontstaan dat de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt terwijl het bestemmingsplan vernietigd is.

De heersende leer is dat de belanghebbende bij een omgevingsvergunning er maar voor moet zorgen dat tijdig een verzoek om schorsing van het bestemmingsplan wordt ingediend, zodat wordt voorkomen dat er een omgevingsvergunning op basis van dat bestemmingsplan kan worden verleend. In de praktijk is deze ‘oplossing' niet altijd toereikend. Zo is het denkbaar dat het verzoek om schorsing wordt afgewezen, terwijl het bestemmingsplan vervolgens in de bodemprocedure toch wordt vernietigd. In een bestuursrechtelijk kort geding wordt nou eenmaal slechts een voorlopige afweging gemaakt. Ook is het denkbaar dat burgemeester en wethouders al een vergunning verlenen voor er over schorsing van het bestemmingsplan is beslist.

Dit laatste kwam aan de orde in een recente zaak voor de voorzieningenrechter in Almelo. Er werd een ontwerp omgevingsvergunning ter visie gelegd. Het nieuwe bestemmingsplan was al in werking maar nog niet onherroepelijk. Belanghebbenden dienden zienswijzen in tegen de ontwerp omgevingsvergunning en dienen vrijwel gelijktijdig een verzoek in tot schorsing van het bestemmingsplan. Het college heeft echter de uitspraak over de schorsing van het bestemmingsplan niet afgewacht en vóór die tijd de omgevingsvergunning verleend. De belanghebbenden hebben vervolgens een verzoek om schorsing van de omgevingsvergunning ingediend. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt:

“Indien na de inwerkingtreding van het nieuwe – nog niet in rechte onaantastbare – bestemmingsplan een aanvraag om vergunning wordt ingediend of ingewilligd, moet aan deze belanghebbenden een behoorlijke en praktisch bruikbare mogelijkheid worden geboden om het nieuwe bestemmingsplan alsnog door de voorzitter van de Afdeling buiten werking te doen stellen. Indien de bedoelde belanghebbende, tegelijk of nagenoeg tegelijk met het indienen van een zienswijze tegen de ontwerpvergunning, een verzoek om schorsing van het vaststellingsbesluit indient bij de voorzitter van de Afdeling, ligt het in de rede dat verweerder niet op de aanvraag beslist alvorens de voorzitter zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken. Alsdan kan het peilmoment voor het toepasselijke recht niet worden gelegd op een vroeger tijdstip dan dat waarop de voorzitter omtrent de schorsing van het vaststellingsbesluit heeft beslist. Schorst de voorzitter (alsnog) het besluit, dan geldt het oude bestemmingsplan als toetsingskader.”

De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding tot schorsing van de omgevingsvergunning.

Naar mijn mening is dat terecht, hoewel vraagtekens kunnen worden gezet bij de motivering: de vraag is in hoeverre op deze manier geschoven kan worden met het peilmoment van het toepasselijk recht. In een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2009 werd in een vergelijkbare situatie toepassing gegeven aan het fair play-beginsel om te komen tot schorsing van de verleende vergunning. Beide oplossingen (schuiven met de peildatum van het toepasselijk recht en het fair play-beginsel) doen echter wat kunstmatig aan. Het probleem is en blijft – naar mijn mening – dat de Tegelen-jurisprudentie miskent dat de bestemmingsplanprocedure niet los kan worden gezien van de procedure voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning. Door het limitatief-imperatief stelsel moet een omgevingsvergunning immers worden verleend indien deze past binnen het bestemmingplan, en andersom. Hiermee verhoudt zich niet dat de omgevingsvergunning onherroepelijk kan worden terwijl het belangrijkste toetsingskader – het bestemmingsplan – is of kan worden vernietigd. Het is naar mijn mening noodzakelijk dat in een dergelijk geval het belang van rechtsbescherming van belanghebbenden zwaarder weegt dan het belang van rechtszekerheid van de vergunninghouder.

Heeft u vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Tegelen-jurisprudentie: rechtszekerheid vs rechtsbescherming