icon

Het beledigde raadslid

In hoeverre kun je zonder (civielrechtelijke) consequenties een politicus beledigen? Op vrijdag 11 mei jl. wees de Hoge Raad hierover een arrest waaruit blijkt dat dit niet zomaar kan.

Wat was er aan de hand? Het arrest betreft een ruzie tussen een man uit Wolvega en een gemeenteraadslid van de gemeente Weststellingwerf. De man had op enig moment in 2004 zijn huis te koop staan en verhuurde dat – tot de verkoop – aan het gemeenteraadslid. Op 28 oktober 2004 sluiten de man en het gemeenteraadslid daarom een ‘verblijfsovereenkomst'.

Het huis van de man wordt verkocht en per 1 augustus 2005 zegt de man de verblijfsovereenkomst op. De man verkeert in de veronderstelling dat het gemeenteraadslid per die datum uit zijn huis zal moeten vertrekken, het gemeenteraadslid niet. Diverse sommaties worden verzonden, maar eind augustus is het gemeenteraadslid nog steeds niet uit het pand vertrokken. Hij beroept zich op huurbescherming.

De man zoekt hulp: bij de burgemeester, bij een ander gemeenteraadslid. Op 8 september 2005 komen de man en het gemeenteraadslid tot een compromis. Het gemeenteraadslid vertrekt uit de woning, en de man levert financieel wat in op de oorspronkelijke afspraken.

Opgelost – zo lijkt het, maar de man is nog niet tevreden. Hij gaat brieven schrijven naar allerlei andere personen en instanties, waaronder de gemeente. Hij doet aangifte van valsheid in geschrifte. Op enig moment schrijft hij ook de kranten aan. In vier kranten wordt erover gepubliceerd. Een maand erna zijn er verkiezingen. Het gemeenteraadslid wordt niet herkozen.

Voor het gemeenteraadslid is de maat vol. Hij start een procedure voor de rechtbank en vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank wijst af, maar het hof wijst toe en verwijst daarbij naar het standaardarrest van de Hoge Raad van 24 juni 1983 (NJ 1984, 801) (ironisch genoeg bekend onder de naam “het Gemeenteraadslid-arrest”). In dat arrest heeft de Hoge Raad aanknopingspunten gegeven om de aan de orde zijnde botsing van de twee grondrechten: de vrijheid van meningsuiting en het recht op eer en goede naam, te kunnen afwegen. Het gaat daarbij onder andere om de aard van de gepubliceerde verdenkingen, de ernst van de te verwachten gevolgen, de mate waarin de verdenkingen gefundeerd zijn en of het doel dat werd beoogd niet op een andere, minder schadelijke manier had kunnen worden bereikt. Alles afwegende, oordeelt het hof, had de man de stukken niet op die manier mogen publiceren, en heeft de man onrechtmatig jegens het gemeenteraadslid gehandeld.

De man gaat in cassatie, maar dat helpt hem niet. De Hoge Raad onderstreept de overweging van het hof dat de uitingen van de man, gelet op de feitelijke onderbouwing, overtrokken en subjectief zijn. Daarbij wordt mede van belang geacht dat de uitlatingen vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen zijn gepubliceerd. Ten slotte: de uitlatingen hadden betrekking op een geschil in de privésfeer – iets wat, bezien vanuit het algemeen belang, op zich dan ook geen ernstige misstand oplevert. Al met al was de man onnodig grievend geweest. Het arrest van het hof bleef overeind.


Sascha Guillaume is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied privacy

Het beledigde raadslid