icon

Platter en Dikker

We hebben het al een tijd niet meer gehad over het portretrecht. U weet wel: het recht dat wij allemaal hebben om ons te verzetten tegen het openbaarmaken van beeldmateriaal waarop wij herkenbaar voorkomen. Dat verzet slaagt als wij ons kunnen beroepen op een redelijk belang dat zich tegen openbaarmaking verzet. Voor gewone, niet bekende Nederlanders is dat belang in de meeste gevallen gelegen in de bescherming van onze privacy. Voor BN'ers weegt dat privacy belang juist minder zwaar, maar kan er een financieel belang zijn dat zich tegen openbaarmaking verzet.

Deze week deed het Hof Amsterdam een interessante uitspraak in een portretrecht kwestie. Het ging om een foto die was opgenomen in het boek Platter & Dikker van journalist H.J.A. Hofland en fotograaf Roel Visser. Volgens de uitgever een boek waarin dezen “de excessen van de welvaart onder de loep [nemen]. Een confronterend boek over heb- en vraatzucht, over hufterigheid, agressie, consumentisme en exhibitionisme.”

Op één van de foto's in het boek is een behoorlijk gezette, overvloedig getatoeëerde motorrijder te zien. leunend tegen zijn motor (zie voor de foto deze weergave op boek9.nl). De foto is genomen op de Harley Davidson dag in Rotterdam. De afgebeelde persoon vorderde in kort geding het uit de handel doen nemen van het boek, subsidiair het daaruit verwijderen van de bewuste foto. Ook vorderde hij een voorschot op schadevergoeding van 10.000 euro.

De geportretteerde beriep zich op bescherming van zijn privacy. Hij stelde in dat verband onder andere dat hij niet geassocieerd wenste te worden met de negatieve teneur van het boek, zoals die in het bovenstaande al werd weergegeven. Hij stelde daarbij voorts dat hij “als geen ander gebukt [gaat] onder zijn eigen zwaarlijvigheid en met de publicatie in het boek publiekelijk te schande [wordt] gezet en belachelijk gemaakt, waardoor hij geestelijke en lichamelijke schade alsook vermogensschade lijdt.”

Het Hof, expliciet verwijzend naar het beroemde Vondelparkarrest, geeft aan dat de vraag of sprake is van inbreuk op de privacy afhangt van de feitelijke omstandigheden, met name de aard en de mate van intimiteit waarin de geportretteerde is afgebeeld, terwijl ook het karakter van de foto en de context van de publicatie van belang kunnen zijn. Impliciet verwijzend naar het arrest Ferdi E. wijst het Hof er voorts op dat het recht op privacy geen absoluut recht is, maar moet worden afgewogen tegen andere rechten en belangen, waaronder het recht op vrijheid van meningsuiting.

Bij de afweging die dan volgt wijst het Hof erop dat de geportretteerde zelf had aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de afbeelding als zodanig, maar wel tegen de context waarin deze is gepubliceerd. Dat eerste vindt het Hof terecht:

Dat [ geportretteerde ] tegen (de openbaarmaking van) de foto op zichzelf geen bezwaren heeft acht het hof met de voorzieningenrechter terecht. Door zich pontificaal op de openbare Harley Davidson-dag te vertonen en zijn zwaarlijvigheid en zijn tatoeages als het ware in volle glorie te etaleren voor het daar aanwezige publiek, kon hij in redelijkheid verwachten dat hij, niet tersluiks maar in alle openheid, gefotografeerd zou worden. De foto toont [ geportretteerde ] zoals hij is en zoals hij klaarblijkelijk gezien wil worden. Door die opstelling hoefde [ de uitgever] in redelijkheid niet te begrijpen dat [ geportretteerde] lijdt onder zijn zwaarlijvigheid, hoe belastend dit overigens voor hemzelf kan zijn.”

Bij het tweede punt (publicatie in deze context) komt de belangenafweging die door de Hoge Raad is benadrukt in het Ferdi E. arrest om de hoek kijken,.Het Hof slaat daarbij acht op het feit dat de naam van geportretteerde in het boek niet wordt genoemd en dat de tekst niet rechtstreeks naar hem te herleiden is. Hij wordt op de in het geding zijnde foto getoond zoals hij zichzelf openlijk aan het publiek vertoont in de publieke ruimte.

Volgens het Hof is onder deze omstandigheden geen sprake van onrechtmatige aantasting van de eer en goede naam van geportretteerde, ook al komen in het boek ook foto's en beschrijvingen voor van personen en situaties waarmee hij niet geassocieerd wil worden. De vrijheid van meningsuiting weegt hier het zwaarst. Waarop het Hof met de volgende uitsmijter komt:

Het hof merkt in dit verband op dat het – bij het voorkómen van de publicatie van een foto betrokken – belang van degene die zich op een voor het publiek vrij toegankelijke plaats op een opvallende wijze manifesteert (en er kennelijk geen bezwaar tegen heeft om op die wijze gezien en gefotografeerd te worden) over het algemeen niet zal opwegen tegen het belang van diegene die de foto wil gebruiken ter illustratie van een aan die wijze van manifestatie gewijde beschouwing, ook indien deze beschouwing kritisch van aard is.”

Met andere woorden: als jij je op bepaalde wijze uitgedost (of -zo mag ik aannemen- je op bepaalde wijze gedragend) op de openbare weg begeeft, neem je het risico dat dit wordt gefotografeerd (of gefilmd) en vervolgens openbaar gemaakt. “Kennelijk”, aldus het Hof, heb je daar dan namelijk geen bezwaar tegen. En dan moet je vervolgens van goeden huize komen om je te verzetten tegen publicatie in een context met een kritische ondertoon.

Hm. Ik vermoed toch dat de soep niet zo heet gegeten hoeft te worden als in bovenstaande samenvattende alinea weergegeven. Als het hier namelijk geen doorwrocht essay had betroffen van een alom geroemd journalist, maar een filmpje op Geen Stijl (zoals in het geval van -excusez les mots- de kotsende praeses) dan had het naar mijn mening nog altijd anders uitgepakt. Hoe de kritische context wordt vormgegeven en van wie deze afkomstig is lijkt me dan ook nog altijd een factor van belang

Vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Platter en Dikker