icon

Functie geweigerd: geen WW

De Centrale Raad van Beroep buigt zich met regelmaat over de vraag of er sprake was van verwijtbare werkloosheid en/of passende arbeid. Een uitspraak van eerder deze maand is om twee redenen de moeite waard om te bespreken. In de eerste plaats omdat de aangeboden functie als passende arbeid wordt aangemerkt, ondanks dat dit op een veel lager niveau lag dan de eerder door betrokkene vervulde functie. In de tweede plaats omdat de werknemer inhoudelijk de zaak verloor, maar om procesrechtelijke redenen toch zijn proceskosten kreeg vergoed.

Wat was er aan de hand? Een jurist is 5 jaar in dienst bij zijn werkgever als er een onderzoek plaatsvindt naar zijn capaciteiten, eigenschappen en vaardigheden en uit dat onderzoek blijkt dat “dat de intellectuele capaciteiten van appellant zich onderin de bandbreedte van personen met een academische opleiding bevinden”. Voor de werkgever was dat in 2009 aanleiding om de kantonrechter te vragen de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat verzoek werd afgewezen omdat de kantonrechter vond dat een concreet verbetertraject diende te worden aangeboden danwel dat eerst moest worden nagegaan of het mogelijk was om een lager gekwalificeerde functie aan te bieden. Om hieraan uitvoering te geven vindt er vervolgens een psychologische test plaats. De daaruit voortvloeiende bevindingen vormen de basis van de beslissing om de functie van juridisch medewerker te introduceren en deze functie aan de werknemer aan te bieden. Daarbij wordt een overgangsregeling ten aanzien van het salaris aangeboden. De uitspraak lezend, lijkt dat een logische en redelijke oplossing.

De werknemer accepeteert de functie niet. Hij vindt dat dit geen passende functie is. De arbeidsovereenkomst wordt dan, naar aanleiding van een nieuw verzoek van de werkgever, in 2011 wel ontbonden. Betrokkene vraagt een WW-uikering aan; die wordt blijvend geheel geweigerd omdat er, door het niet behouden van passende arbeid, sprake is van verwijtbare werkloosheid. Weliswaar lag de aangeboden functie op een veel lager niveau dan de voorheen door betrokkene vervulde functie van jurist, maar deze was berekend voor zijn krachten en bekwaamheden, zoals deze waren omschreven in het rapport van het psychologisch onderzoek. Zo overweegt het UWV. Het UWV baseert het besluit daarmee formeel op artikel 24 lid 1 aanhef en onder b ten derde van de Werkloosheidswet.

Het besluit van het UWV blijft in bezwaar en beroep overeind. In hoger beroep geeft het UWV aan inhoudelijk nog steeds achter het besluit te staan, maar corrigeert het zichzelf door erop te wijzen dat de grondslag van het besluit niet juist is. Er zou geen sprake zijn van het niet behouden van passend werk, maar van het verwijtbaar niet aanvaarden van ander passend werk. Het verschil zit erin dat van het niet behouden alleen sprake kan zijn als het om het eigen werk bij de eigen werkgever gaat. En in dit geval was de jurist een andere functie aangeboden. Het besluit had dus eigenlijk op artikel 24 lid 1 aanhef en onder b ten tweede van de Werkloosheidswet moeten zijn gebaseerd.

En daarmee komen we bij de procesrechtelijke kwestie: doordat de grondslag van het besluit komt te vervallen, vernietigt de Centrale Raad de uitspraak van de rechtbank en uiteindelijk ook de beslissing op bezwaar. Maar vervolgens worden de rechtsgevolgen van dat besluit, na een inhoudelijke beoordeling van de zaak, in stand gelaten. En zo kan het dat de zaak inhoudelijk wordt verloren, maar in ieder geval, als pleister op de wonde, toch een bedrag van ca 1.900,- euro aan de “jurist” moet worden vergoed wegens een juridisch gebrek aan het eerdere besluit van het UWV.


Femke van Ooijen is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied arbeidsrecht

Functie geweigerd: geen WW