icon

Tijdelijk hulpstuk meestal geen bestanddeel

De eigenaar van grond is ook eigenaar van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond zijn verenigd. Mocht A bijvoorbeeld een bouwwerk bouwen grond van B, dan is B daarvan in beginsel eigenaar geworden. Dit is echter anders wanneer dat werk een bestanddeel is van een ander gebouw dat niet op de grond staat van B, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een uitbouw die over de erfgrens is heengebouwd. In dat geval behoort die uitbouw toe aan de eigenaar van het hoofdbouwwerk. Zie artikel 5:20 lid 1 sub 2 BW.

Dezelfde regels gelden tot op zekere diepte ook voor ondergrondse werken. In een recentelijk arrest van de Hoge Raad (LJN: BX7474), betoogden beide partijen dat zij géén eigenaar waren van tijdens een bouwproject in de grond geplaatste ‘groutankers', omdat de eigenaar voor de verwijderingskosten zou opdraaien. Groutankers zijn verankeringselementen die tijdens bouwprojecten worden gebruikt om damwanden op hun plaats te houden. Als verankering wordt een betonlichaam in de grond gebracht, in dit geval bij de aanleg van een treintunnel door Prorail. Woningcorporatie Rijswijk Wonen, die een ondergrondse parkeergarage in eigen grond wenst te bouwen, betoogde bij het Hof Den Haag met succes dat de groutankers weliswaar in haar grond gelegen waren, maar een bestanddeel zijn van de tunnelbak, en dus eigendom zijn van Prorail. Prorail stelde daarentegen dat – hoewel de groutankers in de grond waren blijven zitten – deze slechts een tijdelijke hulpfunctie hadden voor het bouwproject, zodat deze geen bestanddeel (meer) zijn van de tunnelbak, en ging met dat standpunt in cassatie.

De Hoge Raad overwoog: of een zaak een bestanddeel is van een andere zaak, moet ‘in het licht van alle omstandigheden van het geval beoordeeld worden' en is over het algemeen ‘feitelijk van aard en kan het in cassatie slechts in beperkte mate worden onderzocht.' Wanneer een zaak echter slechts een ‘tijdelijke hulpfunctie vervult en bestemd is om daarna te worden verwijderd, [levert dit] in het algemeen een aanwijzing op[..] dat die zaak naar verkeersopvatting niet als onderdeel van de andere zaak kan worden aangemerkt.' Om hieraan toe te voegen – het is immers de Hoge Raad – dat een oordeel daarover het ‘mede afhangt van de overige omstandigheden van het geval' en verwees de zaak terug naar het Hof voor een feitelijke beoordeling.

Uit dit arrest blijkt dat de tijdelijkheid een aanwijzing is dat een zaak geen bestanddeel is van een andere zaak, iets dat van belang kan zijn in allerlei eigendomsdiscussies bij onder andere belendende percelen.


Pjotr Lanting is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied vastgoed

Tijdelijk hulpstuk meestal geen bestanddeel