icon

Hockeykantine art. 7:290-bedrijfsruimte?

De zesde afdeling van titel 7.4 van het Burgerlijk Wetboek biedt bescherming aan huurders van zogeheten middenstandsbedrijfsruimte. Deze huurders zijn economisch gebonden aan een bepaalde plaats, omdat ze voor hun inkomsten in sterke mate afhankelijk zijn van een vaste klantenkring en omdat ze investeringen doen in verband met de inrichting van de gehuurde bedrijfsruimte. Dat betekent dat zij hun onderneming niet zonder (ernstige) nadelige gevolgen kunnen verplaatsen naar een andere locatie. De bescherming die de wetgever in deze afdeling aan deze huurders biedt bestaat uit termijnbescherming, huurbescherming en een zekere mate van huurprijsbescherming.

De vraag rijst wanneer sprake is van dergelijke middenstandsbedrijfsruimte. De kantonrechter te Haarlem liet daar recent haar licht over schijnen. De kantonrechter diende (kort gezegd) te beoordelen of een kantine van een hockeyclub hieronder kan worden geschaard. De kantonrechter beantwoorde die vraag bevestigend en overwoog als volgt:

“Onder het begrip bedrijfsruimte van artikel 7:290 BW vallen alle bedrijven waar (als kernactiviteit) gelegenheid wordt geboden aan het publiek om in of vanuit het bedrijf gekochte etenswaren en dranken ter plaatse te nuttigen. Die situatie doet zich hier voor. Er kunnen immers in de kantine daar gekochte etenswaren en dranken worden genuttigd. (…)

Er moet voorts een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van zaken of voor dienstverlening aanwezig zijn. Dat hoeft geen besloten ruimte te zijn of een anderszins als zodanig kenbare inrichting om klanten te ontvangen. Voldoende is dat een verkooppunt voor het publiek aanwezig is. Ook daarvan is hier sprake. Niet vereist is dat het publiek zich ook daadwerkelijk bij het verkooppunt vervoegt. Alleen als elke bedoeling van de ondernemer om het aan het publiek mogelijk te maken hem in het gehuurde op te zoeken ontbreekt, is geen sprake van een dergelijk verkooppunt. Een dergelijk ontbrekende bedoeling van [gedaagde] is gesteld noch gebleken. Er zijn ook onvoldoende aanknopingspunten die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst (een) andere bedoeling(en) hebben gehad. (…)

Het ‘publiek' mag een enigszins beperkt publiek zijn. Het feit dat het publiek dat de kantine bezoekt alleen uit personen zou bestaan die voor de hockeysport komen, staat er dus niet aan in de weg dat de onderhavige kantine als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW wordt gekwalificeerd. De formulering in de overeenkomst “ten dienste van de leden van de vereniging, dan wel hun bezoekers, dan wel hun introducé(e)s” laat ruimte open voor toegang door een breder publiek dan alleen de leden van Alliance. Partijen zijn het er ook over eens dat naast de leden van Alliance en de bezoekende teams ook ouders, grootouders en geïnteresseerden in de sportieve verrichtingen van Alliance gebruik maken van de kantine.”

Het feit dat de kantine twee maanden per jaar gesloten is wegens sluiting van het hockeyseizoen doet overigens volgens de kantonrechter aan het vorenstaande niet af.


Christopher Seine is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Hockeykantine art. 7:290-bedrijfsruimte?