icon

Timmerfabriek art. 7:290-bedrijfsruimte?

Eerder berichtten wij u al over de huurbescherming die huurders van ‘middenstandsbedrijfsruimte' (denk aan winkels, restaurants, cafés) op basis van de wet genieten ten opzichte van huurders van ‘overige bedrijfsruimte' (bijvoorbeeld kantoren, fabrieken of pakhuizen). Het is niet altijd direct duidelijk of in een concreet geval sprake is van huur van middenstandsbedrijfsruimte (de zogeheten art. 7:290-bedrijfsruimte) of overige bedrijfsruimte (art. 7:230a-bedrijfsruimte).

Eind vorig jaar diende de kantonrechter te Breda de vraag te beantwoorden of een timmerfabriek als art. 7:290-bedrijfsruimte kon worden gekwalificeerd (zie WR 2013/63, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Meer specifiek moest de kantonrechter beoordelen of sprake was van een middenstandsbedrijfsruimte in de zin van lid 2 onder a van dit artikel. Dit artikellid bepaalt dat (onder andere) sprake is van art. 7:290-bedrijfsruimte indien het gehuurde betreft:

(…) een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is (…)'

De kantonrechter stelde eerste vast dat tussen partijen vaststond dat het gehuurde een gebouwde onroerende zaak betrof. Daaropvolgend ging de kantonrechter na of het gehuurde was bestemd voor één van de hierboven vermelde bedrijven. De kantonrechter overwoog dat in de tussen partijen gesloten huurovereenkomst was bepaald dat de huurder verplicht was het gehuurde uitsluitend te gebruiken voor de uitoefening van een timmerfabriek, en het daartoe ingericht te houden. Hoewel in de huurovereenkomst de term ‘timmerfabriek' werd genoemd, en de huurder de naam Timmerfabriek Horvers & Wolfs B.V. droeg, was dit volgens de kantonrechter niet doorslaggevend voor de vraag of het gehuurde gekwalificeerd moest worden als een ‘art. 7:290-bedrijfsruimte', dan wel een ‘art. 7:230-a bedrijfsruimte'. Bij de beantwoording van een dergelijke vraag is volgens de kantonrechter beslissend wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, bij het sluiten van de huurovereenkomst omtrent het gebruik voor ogen heeft gestaan. In casu was het partijen reeds bij het sluiten van de huurovereenkomst duidelijk dat in (c.q. vanuit) het gehuurde bedrijfspand maatwerk zou worden geleverd, met enkel gebruikmaking van klein machinale werktuigen. Dit duidt naar het oordeel van de kantonrechter op het uitoefenen van een ambachtsbedrijf in de zin van artikel 7:290 lid 2 onder a.

De kantonrechter moest vervolgens beoordelen of tevens sprake was van een voor een publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken. De kantonrechter overwoog dat voor het begrip ‘een voor een publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van goederen' conform jurisprudentie van de Hoge Raad niet is vereist dat in het gehuurde een als zodanig kenbare inrichting aanwezig is om klanten te ontvangen, maar is voldoende dat een verkooppunt voor het publiek aanwezig is. Zulks was naar het oordeel van de kantonrechter in casu het geval, nu het voor (potentiële) klanten mogelijk was om rechtstreeks aan de timmerfabriek een bezoek te brengen. De huurder had immers ter zitting toegelicht dat klanten, desgewenst, de door hen bestelde en door de timmerfabriek vervaardigde producten bij de timmerfabriek konden ophalen.

Hoewel fabrieken zoals gezegd doorgaans als art. 7:230a-bedrijfsruimte worden gekwalificeerd, kon deze timmerfabriek dus (wel) worden aangemerkt als art. 7:290-bedrijfsruimte.


Christopher Seine is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Timmerfabriek art. 7:290-bedrijfsruimte?