icon

Meldingsplicht uitoefening rechten betreffende bodemzaken

De fiscus kan voor het verhaal van haar vorderingen gebruik maken van het bodemrecht. Dit betekent dat de fiscus beslag kan leggen op zaken die zich op de bodem, bijvoorbeeld een bedrijfspand, van de belastingschuldige bevinden. De fiscus kan zich vervolgens met voorrang boven andere schuldeisers op deze bodemzaken verhalen. Bodemzaken zijn zaken die strekken tot duurzaam gebruik op de betreffende bodem, zoals machines, apparaten en inventariszaken. Voorraden worden bijvoorbeeld niet als bodemzaken gekwalificeerd. De fiscus hoeft bij de uitoefening van het bodemrecht, behoudens enkele uitzonderingen, geen rekening te houden met eigendomsrechten van derden of gevestigde zekerheidsrechten (zoals een stil pandrecht) op de beslagen bodemzaken.

Het sterke verhaalsrecht van de fiscus kan in de praktijk leiden tot benadeling van onder anderen banken – vaak pandhouders – en andere schuldeisers. Om te voorkomen dat de fiscus beslag legt op aan een derde in eigendom toebehorende of verpande zaken is het voor de schuldeisers van belang deze zaken, voordat de fiscus het bodembeslag legt, van de bodem weg te halen. Derde-eigenaren, zoals leveranciers met eigendomsvoorbehoud of leasemaatschappijen, kunnen dit bewerkstelligen door de bodemzaken op te eisen en fysiek weg te halen van de bodem van de belastingschuldige.

Een andere manier om de zaken van de bodem van de schuldenaar te verwijderen is de zogenaamde ‘bodemverhuurconstructie'. Banken maken daar in de praktijk vaak gebruik van. De bank laat in dat geval de panden of gronden waar de bodemzaken zich bevinden aan zichzelf verhuren. De bodemzaken bevinden zich niet langer op de bodem van de belastingschuldige – de bodem is immers verhuurd aan de bank. Voor de fiscus is het dan niet langer mogelijk een bodembeslag te leggen. Deze constructie kan er op die manier toe leiden dat de fiscus in haar verhaalsmogelijkheden wordt beperkt.

Zoals wij al eerder schreven kunnen bij de aanvaardbaarheid van de bodemverhuurconstructie enige vraagtekens geplaatst worden. Inmiddels heeft een wetswijziging geleid tot een bemoeilijking van het uitvoeren van deze constructie. Met ingang van 1 januari 2013 is artikel 22bis Invorderingswet 1990 in werking getreden. Dit artikel bevat een plicht voor pandhouders of andere derden om, in geval zij willen overgaan tot uitoefening van hun rechten met betrekking tot bodemzaken, hiervan eerst melding te maken bij de fiscus. Na ontvangst van deze melding heeft de fiscus vier weken de tijd om te beslissen of zij wel of niet een bodembeslag wil leggen en dient de meldingsplichtige af te wachten. Indien een schuldeiser niet voldoet aan de meldingsplicht of zich niet houdt aan de wachttermijn van vier weken, hangt hem een claim voor de executiewaarde van de bodemzaken tot maximaal de hoogte van de belastingschuld boven het hoofd.

De meldingsplicht is met gemengde reacties en de nodige kritiek ontvangen, met als gevolg dat met ingang van 1 april 2013 de oorspronkelijke regeling van een uitzondering is voorzien. De uitzondering geldt voor zuivere vormen van aankoopfinanciering, zoals levering onder eigendomsvoorbehoud en bepaalde vormen van leasing en huurkoop. Goed nieuws dus voor het midden- en kleinbedrijf, nu het wegvallen van de meldingsplicht voor de leveranciers tot meer zekerheid kan leiden en wellicht ten goede komt aan de kredietverlening.

Voor de overige gevallen blijft de meldingsplicht onverminderd bestaan en met ingang van 1 april 2013 is tevens een einde gekomen aan de overgangsregeling. Het is dus van groot belang rekening te houden met deze nieuwe wettelijke verplichtingen in geval van betalingsonmacht of een (dreigend) faillissement.


Lonni Westland is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bedrijven in moeilijkheden

Meldingsplicht uitoefening rechten betreffende bodemzaken