icon

Huurprijsaanpassing middenstandsbedrijfsruimte

Voor middenstandsbedrijfsruimte, zoals cafés, restaurants, fietsenmakers en kappers, geldt een specifiek wettelijk huurregime, dat is vastgelegd in artikel 7:290 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Één van de regels die voor dit type huurovereenkomst gelden is de mogelijkheid om gedurende de huurovereenkomst door de kantonrechter een nieuwe huurprijs te laten vaststellen (7:303 e.v. BW).

Een dergelijke vordering kan nuttig zijn wanneer huurder of verhuurder van mening is dat de tussen hen geldende huurprijs niet overeenstemt met die van vergelijkbare bedrijfsruimte. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer bij aanvang een relatief hoge huurprijs is overeengekomen, dan zal huurder wellicht verlaging vorderen, of andersom, wanneer bijvoorbeeld tussen partijen een aanvangshuurprijs met indexeringsregeling is afgesproken, maar de marktprijs sneller is gestegen dan volgt uit de indexeringsclausule.

Deze vordering kan pas worden ingesteld na afloop van de door partijen overeengekomen bepaalde tijd van de huurovereenkomst, en in alle andere gevallen wanneer ten minste vijf jaar zijn verstreken nadat een nieuwe huurprijs heeft gegolden, zo volgt uit artikel 7:303 lid 1 BW. De mogelijkheid van een vordering tot nadere huurprijsvaststelling kan niet contractueel ten nadele van de huurder worden beperkt of uitgesloten (7:291 lid 1 BW).

Er is pas ontvankelijkheid wanneer de vordering vergezeld gaat van een huurprijsadvies opgesteld door een gezamenlijk benoemde deskundige (7:304 BW). Wanneer partijen het niet eens worden over de te benoemen deskundige, kan de kantonrechter er een benoemen. Meestal zijn dat makelaars, taxateurs of de Bedrijfshuurcommissies van de Kamer van Koophandel.

De nieuwe huurprijs wordt vastgesteld op basis van de gemiddelde huurprijzen van vergelijkbare middenstandsbedrijfsruimte ter plaatse, zoals die gedurende de referentieperiode van vijf jaar vóór de vordering golden. Uitgangspunt is dus niet de op dat tijdstip geldende markthuurwaarde. Deze referentieperiode heeft de wetgever gekozen om extreme verhogingen in de huurprijs te voorkomen.

Er bestaat vaak discussie over welke panden als vergelijking kunnen dienen, criteria zijn bijvoorbeeld ligging, grootte, indeling en kwaliteit van het gebouw. Het gaat om bouwkundige vergelijkbaarheid, het is bijvoorbeeld niet van belang of de ene huurder meer omzet maakt dan een ander. Vergelijkbare panden moeten in beginsel in hetzelfde winkelgebied liggen als het pand in de procedure.


Pjotr Lanting is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Huurprijsaanpassing middenstandsbedrijfsruimte