icon

Schorsing van een lid van de ondernemingsraad

Een werkgever kan een werknemer schorsen als er dringende redenen zijn waarom die werknemer (al dan niet tijdelijk) niet op het werk kan worden toegelaten. Die mogelijkheid is zeker niet onbegrensd; de werknemer heeft recht op werk en schorsing wordt geacht beschadigend voor de werknemer te zijn, dus er moet wel wat aan de hand zijn. Een werknemer kan dan ook eisen dat hij weer aan het werk wordt gelaten, en tenzij de werkgever kan aantonen dat dat echt niet kan zal zo'n eis door de rechter worden toegewezen.

Nog ingewikkelder wordt het wanneer de betreffende werknemer lid is van de ondernemingsraad. Dan heeft hij namelijk twee redenen om op zijn werk te zijn: zijn gewone werk, en het werk dat hij in de ondernemingsraad doet. De positie van de leden van de ondernemingsraad is beschermd (denk aan het ontslagverbod) en het is logisch dat een werkgever niet snel een lid van de ondernemingsraad uit die raad kan weren. De Wet op de ondernemingsraden kent daarom een apart artikel: als de werkgever van oordeel is dat een lid van de ondernemingsraad het overleg van de ondernemingsraad met de ondernemer ernstig belemmert, kan de ondernemer de kantonrechter vragen dat lid voor een bepaalde tijd uit te sluiten van die ondernemingsraad.

Hoe zit dat nu wanneer een werkgever een werknemer wil schorsen wegens omstandigheden die niets met de ondernemingsraad te maken hebben, terwijl die werknemer wel lid van de ondernemingsraad is? Heb je dan ook toestemming van de kantonrechter nodig voor die schorsing? Het antwoord luidt, zoals wel vaker bij ons: dat hangt er van af. De rechtbank in Amsterdam heeft daar recent een uitspraak over gedaan. De uitspraak is (nog?) niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; wel in de JAR, onder volgnummer 2013/221.

Het ging om een gemeenteambtenaar die werd geschorst wegens een vermoeden van misbruik van dienstmiddelen en van belangenverstrengeling. Omdat die beschuldigingen zich ook uitstrekten tot het werk dat de ambtenaar als lid van de ondernemingsraad deed, wilde de gemeente dat hij dat werk ook niet deed; de schorsing gold dus zowel zijn gewone werk, als zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad. Dat laatste vocht de ambtenaar aan; hij stelde dat zijn schorsing als OR-lid alleen via de kantonrechter had gekund. De rechtbank gaf de man geen gelijk. De rechtbank stelde dat de grond van de schorsing niet was gelegen in “het ernstig belemmeren van overleg tussen OR en ondernemer” en dat de toestemming daarom niet gevraagd hoefde te worden. De rechter vond het terecht dat de schorsing ook het OR-werk omvatte, omdat ook dat te maken had met de beschuldiging van misbruik van middelen en belangenverstrengeling.

Die laatste overweging is vreemd, en daar is ook wel de nodige kritiek op gekomen. Het is nog wel te begrijpen dat de rechter stelt dat toestemming niet nodig was omdat de grond van schorsing niet in het belemmeren van het overleg is gelegen, maar meer optreedt als “bijwerking” van een “gewone” schorsing; als er geen verband is met het OR-werk maar de enkele aanwezigheid van de werknemer is niet aanvaardbaar, ook niet voor OR-werk, dan kun je je voorstellen dat toestemming ook niet nodig is. Hier was er echter kennelijk wél verband met het OR werk, sterker nog, dat verband wordt juist gebruikt om te stellen dat de schorsing als OR-lid terecht is.

Er zijn dus wel wat kanttekeningen te maken bij de uitspraak. Daar komt bij: de uitspraak is gedaan in een bestuursrechtelijke procedure, en dat wil dus niet zeggen dat een kantonrechter eenzelfde maatstaf zou hanteren. Als een OR-lid wordt geschorst is het daarom altijd zaak apart te bekijken of die schorsing zich tot het OR-werk moet uitstrekken; maar áls dat inderdaad moet, dan zijn er dus wel aanknopingspunten dat direct te doen, en niet via een procedure.


Arco Siemons is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied arbeidsrecht

Schorsing van een lid van de ondernemingsraad